is toegevoegd aan uw favorieten.

De nachtbruid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nacht, en noem ik op goeden grond den mensch die zijn ganschen dag doorbrengt in het volgen van verdoolde en onharmonisch ontwikkelde neigingen, afdwalingen van de goede instincten tot laving en voeding, tot voortplanting en accumulatie, tot vrede en geluk, en zijn nacht in stompe gevoel- en gedachteloosheid, dood als een kurk, of hoogstens tijdelijk een beetje krankzinnig, door zotte, verwarde droomen, — dien mensch noem ik ziekelijk en abnormaal. Wie leeft om te eten, te drinken, wat te werken en uit te rusten, zijn plichtje te doen en zijn zorgjes te vergeten, en verder den nacht zoo dof en bot en wezenloos mogelijk door te brengen, — wien er vooral aan gelegen is zijn maag en zijn brandkast te vullen en zijn slaap leeg te laten — zoo iemand noem ik niet een gezond en gelukkig maar een beklagenswaardig mensch.

Want ons hoogste instinct, dat als een statig koningshert met fier omhoog gehouden, breed-getakt gewei de gansche dartele en schuchtige kudde onzer neigingen en driften behoort vóór te treden, te veréénen, en te beschermen, is de neiging naar schoonheid, naar verhevenheid en naar de zuivere zaligheid. Ook de machtige drang tot weten, die ons zoo rusteloos naar het geheim des levens doet zoeken, is hieraan ondergeschikt, al is 't de tweede in rang, de schoonste ree uit de kudde.