Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XV.

Zij was het werkelijk. Het was in een lange laan, ter weerszij om-en-om donkere spar en beuk in goudbruinen herfsttooi. De zonnestralen, duidelijk blauwig in den fijnen nevel, drongen schuin door de donkere sparren, en lagen in goudkleur op 't hei-groene mos, en de blauwe lucht en het bruin-en-groene loover straalde in kleurenschittering die aan den bruin- en blauwen weerglans van opaal deed denken. Ik had haar al uit de verte zien aankomen, haar blanke, bloote voeten drukten stil het weeke mos. Ik keek ingespannen naar haar gelaat, naar de jonge, frissche huid, het zachtgegolfde glinsterende blonde haar, waarom heen de fijne, losse haartjes in 't zonlicht als een lichtkrans schemerden, naar de teedere ambertinten in de schaduwen om het fijngevormde oor.

Ze was het, en legde haar hand op de lippen, als moest ik luisteren. Maar ik hoorde niets. Ik zag duidelijk hoe de ronde vlekken zonnelicht over haar gezicht en haren gleden, de schaduwen van 't loover over haar wit-bekleede borst en schouders.

Sluiten