Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Terwijl ik naar haar keek, verwonderd wat zij zeggen zou, weefden de gedachten in mij hun fijn spel voort. Het fijne spel waarvan zij zoo zelden rusten, nacht noch dag. Ik dacht: «Hoe zou het leven na het sterven zijn? zouden wij dan ook waarnemen, zien, hooren, ruiken, proeven, tasten? Zeker kan het waarnemen nooit zoo stellig zijn als nu hier, zoo duidelijk als ik nu deze boomen zie, en haar lieve gezicht, nuf nu ik leef en waak, zoo duidelijk kan ik na den dood, zonder lijf en zinnen, niet waarnemen.»

Terwijl ik dit dacht was zij vlak bij mij gekomen, en ik sprak rustig:

«Ben jij het, Emmy?»

Toen keek ik haar aan met eenigen twijfel, alsof er iets ongewoons aan haar was. En ze antwoorde fluisterend:

«Nog niet heelemaal.»

Dit vreemd gezegde verbaasde mij niet. Ik begreep op dat oogenblik zeer goed wat zij er mede zeggen wilde, en ik vroeg:

«Blijf je?»

Toen wilde ik haar in mijn armen sluiten. Maar ik zag haar het hoofd schudden en weer, met de slanke vingers voor den mond, wenken als moest ik luisteren. Toen hoorde ik een geluid als van een zwaar galoppeerenu dier, een geroffel als van hoeven dat hol

Sluiten