Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het zwoele schijn-geluk benauwde en versmoorde me. Ik zag volstrekt geen uitkomst, er dreigde zelfs geen ongeval dat den gang van mijn leven kon wijzigen, — nieuwe bekwaamheden zou ik zeker niet verkrijgen, — niets scheen in 't zicht wat verandering in mijn onwaarachtig bestaan kon brengen. Ik wilde mij wel deemoedig onderwerpen als het moest, — maar er was iets dat mij opjoeg en verontrustte, als ware juist onderwerping de hoogste zonde.

Moedwillige zelfmoord, eer ik voor 't uiterste stond, gaf mij afkeer en weerzin. Maar het gevaar van mijn zeiltochten had weder een aantrekking voor mij als vroeger, toen ik met mijn vader de Noordzee bevoer. Den dood te sterven van Shelley, mijn grootsten zanger, is een eer die ik van jongs af heb begeerd, en ik dacht: «als 't toch moet zijn waarom dan niet nu, eer ik nog dieper daal?»

Den dag vóór onzen tocht was ik diep neerslachtig. Het woei vrij hevig, maar 't was zomerdag en mijn tochtgenoot dacht er evenmin aan als ik, ons voornemen te verdagen.

Toen ik dien nacht insliep, wist ik dat ik insliep en bleef volkomen bij besef. Ik rees op eenmaal, met een wonderbaren overgang, uit diepste neerslachtigheid in het lichte, vrije, vreugdrijke zweefbestaan van den droom. ïk dacht: «Goddank! laat nu het lijf maar

18

Sluiten