is toegevoegd aan uw favorieten.

De nachtbruid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het weer was opgeklaard, de wind geruimd, de lucht blauw. Wij besloten vroeg terug te varen.

Toen wij 't hotel verlieten, en even wachtten in de ouderwetsche vóórgang, met den blauw-en-wit geblokten marmervloer en de oude bruinhouten zoldering, kwam de jonge vrouw, die gisteren op de kade had gestaan, uit het achterhuis, liep ons voorbij en ging de opkamer binnen. Weder zag ze mij recht in de oogen en groette vriendelijk. IkE^was nog meer onthutst dan den vorigen dag. Maar ik had toch tijd om op te merken dat ze zeer gracieus was, en fijne, edele trekken en lange, aristocratische [handen had. Haar oogen waren licht en hadden dien blanken glans dien ik nog maar in één paar oogen gezien had, en een uitdrukking als wisten ze, samen met mij, ontelbare, onuitsprekelijke geheimen.

Mijn Hongaarsche makker zag nu weer mijn ontroering en tevens de reden er van.

— «O! was die het?» riep hij in 't Fransch, toen het meisje voorbij was, «die je gister zag. Dan begrijp ik je verbouwereerdheid.»

— «Ken je haar?» vroeg ik.

— «Wel, 't is een bezienswaardigheid van de stad. Alle vreemden kennen haar.»

— «Hoort ze hier thuis?»

— «Zeker!, niet ten nadeele van den hotelhouder.