is toegevoegd aan uw favorieten.

De nachtbruid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klonk beschroomd, als durfde ze 't niet zeggen, of vreesde uitgelachen te worden.

— «Ik was in onrust, den ganschen morgen, 's Nachts ook al. Ik ben nooit zoo vreemd angstig geweest. Eerst toen ik uw gezicht zag, werd ik gerust.»

— «Kende u mijn gezicht dan? Had u van me gedroomd?»

Ze schudde 't hoofd. «Niet dat ik weet. Maar toch kan ik niet zeggen dat uw gezicht me vreemd is. Ik heb 't zeker vroeger meer gezien.» Toen fluisterde ze als voor zichzelve: «Wadr weet ik niet.»

— «U kende den Hongaar, niet waar? Hij scheen u te kennen.»

Elsje lachte met den korte, helderen lach, die mij later zoo vaak gelukkig heeft gemaakt.

— «O die! — ja die is hier wel eens meer geweest. Hij zei zeker niet veel goeds van me.» —

— «Integendeel!» zei ik. «Hij maakte u een groot compliment. Hij zei dat u ongenaakbaar was.»

Elsje lachte nog luider.

— «Wat zijn die vreemdelingen toch verwaand. Vooral die donkere vreemdelingen die fransch spreken. Als je daar maar even gewoon beleefd tegen bent dan denken ze je alles te kunnen voorstellen. Ik kan met die menschen niet voorzichtig genoeg zijn.»

19