Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXVII.

Wij stonden op 't dek van den grooten trans-Atlantischen stoomer, en onze kleur-dorstige oogen dronkenin het rijke tafreel der klippen en heuvelen van Ierland, boven kalme zee, onder zware regenluchten. Donker purper-grauwe, helder grijze en blanke regenwolken ter zij, omhoog een klaar limpide blauw, een kort fragment van een regenboog opslaand uit de helder-smaragd groene zee dwars over 't vaal-bruine en dof-groene land met de kleine witte huisjes, tot aan het zwart-grijs der wolk die in regenfloers vervaagde, en waarop de helle kleuren lichtend blonken. Duizende witte meeuwen rondom het schip, als een warrelende, in 't grelle zonlicht schitterende, scherp tegen den donkeren wolkachtergrond afstekende levende sneeuwbui, met onophoudelijk wijdruchtig gegier en gekrijsch.

— «Het teeken des verbonds» zei ik, op den regenboog wijzend.

— «Geloof je werkelijk, Vico, dat God zulke teekenen geeft aan de menschen?»

23

Sluiten