is toegevoegd aan uw favorieten.

De nachtbruid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nooit een kind, nog vóór het lucht ademde, zoo innig bemind, zoo teederlijk besproken, zoo wijdingsvol te gemoet-zien, als dit.

Maar in mij woonde een somber vóórgevoel met strakke zekerheid. Ik wist dat onheil wachtte, het aangekondigde in mijn droomen, en het werd dagelijks duidelijker welk onheil het zou zijn. De blijde belofte had een demonisch-sarrenden klank, het fijne waarnemingsvermogen van mijn onzinnelijk wezen voelde hf^ valsche der zoete aankondiging. Voor Elsje, als zij rustig bij mij zat en kleertjes maakte en verdiept was in het lieflijk toekomstbeeld van haar kindje, voor Elsje kon ik mij hoopvol vóórwenden, en meegaan met haar lief verbeeldingsspel, — maar mijzelven kon ik niet bedriegen. Ik wist dat mij tergend een beeld van geluk werd vóórgehouden, dat mijn oogen nooit zouden zien. Ik wist dat de echtheid van mijn overtuiging, de kracht van mijn geloof aan de zwaarste proef, aan de scherpste tortuur zou worden onderworpen.

Toen ook, in Elsjes bizondere toestand, die sommige zielsverlangens zoo sterk doet spreken, werd mij duidelijk wat zij zorgvuldig voor me verborgen had.

Zij vroeg mij altijd naar mijn droomen, wat en wie ïk had gezien, waar ik was geweest. En eens ontviel haar:

— «O, ik wou dat ik zoo droomen kon als jij.*