Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden opgeleid (Hand. 22:3). Deze Gamaliël, die den bijnaam van Rabban (onze rabbi) droeg, had volgens den Talmud 1000 leerlingen; 500 werden in de wet, 500 in de grieksche wijsheid (wijsbegeerte en letterkunde) onderwezen (zie Riehm/v. Rhijn, Bijbelsch Woordenboek). Dat hij te Jeruzalem een vreemde letterkunde mocht onderwijzen, is wel een bewijs van het zeldzaam groote vertrouwen , dat hem ten deel viel. Blijkens Hand. 5:34 v. was hij een wijs en voorzichtig man. Daarom kon Paulus wel een geheel ander karakter hebben; de leerlingen nemen niet altijd de gematigdheid van hunne leermeesters over.

In den brief aan de Galatiërs verhaalt Paulus zelf, hoe hij in dien tijd te Jeruzalem al zijne medeleerlingen overtrof in kennis van de wet en van de voorvaderlijke overleveringen , terwijl hij ook in het waarnemen van de geboden boven hen uitmuntte. Hij trachtte het ideaal, dat de wet hem voorhield, te bereiken, nl. rechtvaardig te zijn voor God. Al kan ook eerzucht zich bij den jongen man hebben doen gelden, het waren toch ongetwijfeld nobele aspiraties, die hem voortdurend tot ingespannen arbeid, zoowel op intellectueel als op moreel gebied, prikkelden.

Hij studeerde niet alleen maar leerde ook een ambacht, waardoor hij later zijn brood zou kunnen verdienen. ') De rabbijnen moesten nl. kosteloos onderwijs geven. Bovendien was Gamaliël van oordeel, dat de studie der wet, als zij niet van een ander soort arbeid vergezeld ging, tot zonde leidde. Paulus werd tentenmaker, axwtnrotóc (Hand. 18:3). Sommigen vatten dit zoo op, dat hij uit geitenhaar een soort doek weefde, hetwelk later tot het vervaardigen van tenten gebruikt werd. Liever denke men aan het maken van tenten uit het reeds vervaardigde doek.

Mogen wij onderstellen, dat Paulus ook eenigszins bekend

1) Vgl. 1 Thess. 2:9; 2 Thess. 3:8; 1 Kor. 4:12; 2 Kor. 12:14; Hand. 20 : 34 en 35.

Sluiten