is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij ook in steeds grooteren ijver dat gevoel te ontvluchten. Maar dan valle de nadruk ook op het negatieve karakter van die voorbereiding. Tevergeefs zoekt men in de brieven van den apostel één woord, dat de bekeering aan iets anders toeschrijft dan aan hetgeen op den weg naar Damaskus is geschied. Ook volgens Weizsacker (Apost. Zeitalter, S. 72) is het onwedersprekelijk, dat geen onderwijs in de christelijke leer aan die bekeering is voorafgegaan, dat Paulus het geloof vervolgde omdat hij het voor onvereenigbaar hield met wet en overlevering, en dat er bij hem niet de minste neiging tot het geloof was, of aarzeling welke van beide partijen hij zou kiezen. Daarom moet, zoo gaat genoemde geleerde voort, de geschiedenis zich vergenoegen met de verandering te constateeren. Kan het anders, waar (evenals bij de opstanding van Jezus) de oplossing, welke de geschiedenis aan de hand doet, wordt afgewezen?

De verklaring, die Paulus zelf van de zaak geeft, is deze: Ik heb Jezus Christus gezien (1 Kor. 9: 1). Hij bedoelt natuurlijk geen visioen, want hoe zou een visioen kunnen dienen om iemand recht op den naam van apostel te geven? Men zie ook Gal. 1 : 1 en 1 Kor. 15 : 8. De verschijning van Jezus aan Paulus wordt in 1 Kor. 15:8 met de verschijningen aan de andere apostelen op ééne lijn gesteld en tevens (vgl. „ten laatste") van latere visioenen onderscheiden. Er is sprake van een reëele , ja van een lichamelijke verschijning, want het hoofdstuk handelt over de opstanding der lichamen. Vgl. Baljon, Inl. bl. 116.

Het getuigenis van den apostel zeiven wordt bevestigd door hetgeen zijne reisgenooten waarnamen en door de tusschenkomst van Ananias. De bekeeringsgeschiedenis komt in het boek der Hand. drie malen voor (H. 9, 22 en 26). In het laatste verhaal wordt Paulus door den Heer zeiven op het oogenblik van de verschijning geroepen om apostel te zijn; in de beide eerste verhalen door Ananias, drie dagen later. Bovendien hooren de mannen, die met Paulus reizen, in Hand. 9 wel de stem, maar zien zij niemand, terwijl zij volgens H. 22 wel het licht zien, maar zonder de stem te hooren. Het