is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eerste verschil wordt het best verklaard door aan te nemen, dat de apostel zelf in Hand. 26 het verhaal bekort en in den uiond van den Heer de boodschap legt, die in werkelijkheid iets later, door bemiddeling van Ananias, tot hem was gekomen. Wat het tweede verschil aangaat, blijkt de verschijning noch voor het gezicht, noch voor het gehoor deianderen duidelyk te zijn geweest. Zij hoorden wel een stem, zonder echter de woorden te onderscheiden; zij zagen wel een licht, en toch zagen zij „niemand".

De verschijning van den Heer sluit zich uitnemend bij het vroegere leven van Paulus aan. Zonder de voorafgaande geestelijke worsteling zou de zichtbare verschijning een nietproductief kapitaal zijn gebleven; zonder de tusschenkomst des Heeren zou die worsteling op niets zijn uitgeloopen.

Paulus moet bij zijn bekeering minstens dertig jaar oud zijn geweest. Op jeugdiger leeftijd zou hem niet zulk een gewichtige zending naar Damaskus zijn opgedragen. Het woord vexvlxg (Hand. 7 :58) is tegen deze onderstelling geen bezwaar, omdat iemand van dertig tot veertig jaar toen zoo genoemd werd. De gebeurtenis zal omstreeks het jaar 37 van onze jaartelling hebben plaats gehad.

Wanneer wij ons rekenschap trachten te geven van hetgeen onder den invloed van de verschijning in het hart van den man van Tarsus is omgegaan, verdient in de eerste plaats wel dit genoemd te worden: Christus komt voor hem in een ander en geheel nieuw licht. God heeft zijn Zoon in hem geopenbaard (Gal. 1: lt>; vgl. 2 Kor. 4 : G). In den misdadiger Jezus herkent hij nu een rechtvaardige, den Zoon van God. Tegelijkertijd verkrijgt het begrip „Messias" voor hem een andere beteekenis: „de Christus naar het vleesch" maakt plaats voor den Heer in den hemel.

In de tweede plaats: zijne zonden werpen hem in het stof. Zoo had hij dan tegen den Zoon Gods en Gods ware volk gestreden! Zoover was hij dan met al zijn krachtsinspanning gekomen! Zijn geheele leven één verblinding! Zijn verleden één vreeselijke beschuldiging!

Toch — — de Heer had hem gezocht, had hem geroepen.