is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(37—54) zijn geen munten van Damaskus met het beeld van den romeinschen keizer bekend. Caligula kan de stad aan Aretas ten geschenke hebben gegeven. Vgl. Schürer, Geschiclde des jiid. V. u. s. w. I, S. 618.

Geen wonder, dat Paulus toen een reis naar Jeruzalem ondernam om met de eerste discipelen van den lieer kennis te maken. Paulus ontmoette er alleen Petrus en Jakobus, den broeder des Heeren, en bleef er vijftien dagen (Gal. 1 : 18, 19). Hij behoefde van hen niet meer het evangelie te leeren, dat hij van Christus zeiven ontvangen had, maar hoeveel was er met hen niet te bespreken! Zijn plan was, langer te Jeruzalem te vertoeven, maar de Heerwaarschuwde hem, dat hij de stad moest verlaten (Hand. 22: 17 v.). Hij begaf zich naar Cesarea (Hand. 9 : 30) en vandaar naar Syrië en Cilicië (Gal. 1:21), naar zijn vaderstad Tarsus, waar hij in den schoot zijner familie op een nadere aanwijzing van den Heer wachtte.

Hij wachtte niet tevergeefs. Te Antiochië was een eigenaardige beweging ontstaan (Hand. 11:20—24). Men had daar het evangelie aan de Grieken (zoo de echte lezing) verkondigd , met dit gevolg, dat velen hunner geloofden en zich tot den Heer bekeerden. De apostelen en de gemeente te Jeruzalem vonden dit feit gewichtig genoeg om Barnabas met een speciale zending naar Antiochië te belasten. Deze, die Paulus vroeger bij de apostelen had geïntroduceerd (Hand. !) : 27), ging nu naar Tarsus om hem naar een arbeidsveld, juist voor hem geschikt, te leiden (Hand. 11 : 25). Van dat oogenblik ontstond er tusschen de gemeente te Antiochië en Paulus een nauwe gemeenschap, waarvan de verkondiging van het evangelie onder de Heidenen de heerlijke vrucht mag heeten.

Nadat Barnabas en Paulus een geheel jaar te Antiochië hadden gearbeid, werden zij naar Jeruzalem gezonden met een bijdrage voor de armen van die stad. Deze reis viel samen met den dood van Herodes Agrippa (Hand. 12) in het jaar 44. Ook moet de hongersnood onder Claudius ongeveer in dien tijd zijn geweest (Hand. 11 : 28). In Gal. 1 wordt