Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hausrath beweert, dat Paulus en Barnabas zich oorspronkelijk alleen tot de Joden van Klein-Azië wilden richten, en dat zij togen hun eigenlijke bedoeling in met do Heidenen in aanraking gekomen zijn. Maar dan rekent hij niet met de eigenaardige gesteldheid van de gemeente te Antiochië, noch met de plechtige handoplegging, waarmede Paulus en Barnabas tot hun zeer bijzondere taak waren gewijd. Ook wil Lukas klaarblijkelijk den voortgang van het zendingsweik onder de Heidenen beschrijven.

Na deze reis, die waarschijnlijk eenige jaren duurde, zetten de twee mannen hun arbeid te Antiochië geruimen tijd (Hand. 14:28) voort, totdat zij (waarschijnlijk in het jaar 50 of 51) daarin gestoord werden door de komst van eenige Christenen uit Jeruzalem, die zich aan het samenleven van geloovigen uit de Joden en geloovigen uit de Heidenen ergerden. Hand. 6:7 spreekt van een groote schare der priesteren, die het geloof gehoorzaam werd. Volgens Hand. 11 twisten mannen uit de besnijdenis met Petrus, ornaat bij met onbesnedenen gegeten had. In Hand. 15:5 worden zij genoemd: eenigen van de sekte der Farizeërs, die geloovig geworden zijn. Zij schijnen zich nog al op den voorgrond te hebben gesteld. Sommigen dan van deze mannen kwamen naar Antiochië, om (gelijk Paulus het noemt, Gal. 2:4) „onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, te bespieden". Het gold natuurlijk het niet-waarnemen van de joodsche gebruiken, voornamelijk van de besnijdenis (Hand. 15-1) Wanneer Paulus en Barnabas toegegeven hadden, was hun werk mislukt (Gal. 2:2). Daar deze menschen zich voor vertegenwoordigers van de gemeente te Jeruzalem uitgaven, brachten zij een niet geringe verwarring teweeg.

Wat te doen? Paulus aarzelde. Was er iets aan van hun beweren, dat zij het gevoelen der moedergemeente vertegen-

Lit-Zeit., 1892). Eveneens Zückler (Tl.eol. Stad. «. Krit. 1895) b« wieu men een opgave van litteratuur over deze kwestie vindt. Vgl Theol. L,t.-Ze> . 1897, No. 23. Th. Zalm bespreekt iu zijn Einleituug in das N. 1. I, 18')/ het vraagstuk uitvoerig.

Sluiten