is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

54 (Cial. 2) te Antiochië. Paulus /elf, do groote baanbreker van liet evangelie in heidensche landen, is niet vroeger dan in het jaar 52, en dat nog wel krachtens een bijzondere goddelijke openbaring, van Azië naar Europa gegaan. Nocli in de groeten van Paulus' brief aan de Romeinen (59), noch in het verhaal van zijn aankomst te Rome (02), noch in zijne te Rome geschreven brieven (Kol., Ef., Fil.; G2—64) is het minste of geringste spoor van Petrus' verblijf in die stad. Bovendien zou dan het plan van Paulus om naar Rome te gaan (Hand. 19 : 21) en het schrijven van zijn brief aan de Romeinen moeielijk te rijmen zijn met Rom. 15:20. Het is natuurlijk niet onmogelijk, dat Petrus eenigen tijd vóór zijn dood in de hoofdstad van het romeinsche rijk heeft doorgebracht. Men vergelijke het boven aangehaalde woord van Irenaeus en andere getuigenissen (Clem. Rom., Clem. Alex., Dion. van Kor., fragment van Muratori, Tert., Cajus). Maar dan moet het na het schrijven van den brief aan de Filippensen zijn geweest. Hilgenfeld zegt terecht (Einl. S. 624), dat men het verblijf van Petrus te Rome niet behoeft te ontkennen om een goed Protestant te zijn. Aan de legende, dat Petrus de gemeente te Rome heeft gesticht, kan een feit ten grondslag liggen.

2. Van protestantsche zijde schrijft men de stichting der gemeente te Rome gewoonlijk toe aan de voortdurende relaties, welke tusschen Palestina en de talrijke joodsche kolonie te Rome bestonden, legen ieder feest gingen velen van Rome naar Jeruzalem om uit naam vau de daar woonachtige Joden offers te brengen (Cicero, Pro Flacco, 28: Cum aurum Judaeorum nomine quotannis ex Italia et ex omnibus provinciis Hierosolymam exportari soleret...); vgl. het verhaal in Hand. 2. Men onderstelt, dat sommigen hunner op het feest van de uitstorting des Heiligen Geestes tot het geloof gebracht zijn, en na hun terugkomst te Rome het evangelie verbreid hebben. Datzelfde kan op

1) Anders oordeelt hierover Lipsius iu Die apokrypheu Apostelgesehiehten uud Apostellegenden, II, 1. 1887. Vgl. Sauday—Headiain, XXVIII -XXXI.