is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet meer te vragen waarom de geschiedenis er van zwijgt. Het is dan alles stil in zijn werk gegaan. ')

II. De samenstelling van de gemeente.

Terwijl men het er vroeger algemeen over eens was, dat de meerderheid van de Christenen te Rome voormalige Heidenen waren, is door het optreden van Baur de meening der godgeleerden op dit punt gedurende geruimen tijd geheel gewijzigd. Baur verklaarde, in het voetspoor van Koppe (Novum Testamentum perpelua annolatione illuslratum, ed., 1824), de gemeente te Rome voor een joodschchristelijke (Ueber Zweck und Veranlassung des Römerbriefs, in Tübinger Zeitschrift filr Theologie, 1836; vgl. zijn Paulus, 1« ed., 1845; Theol. Jahrb., 1857; eenigszins verzacht vooral in Das Christenthum und die chrisll. Kirche, u.s. w., 1800, S. G2 ff.). Allen vielen hem bij (Schwegler, Volkmar, Ilolsten, Hilgenfeld 2), Krehl, Baumgarten—Crusius, v. Hengel, Iteuss, Hausrath, Krenkel, Renan, Lipöius (Protestantenbibel), Mangold, Seyerlen, Schenkel, Thiersch, Sabatier, enz.). Zelfs Tholuck kwam in de 5e uitgave van zijn commentaar eenigszins onder de bekoring der aangebrachte argumenten en nam een zeer sterke joodschgezinde minderheid aan. Philippi deed een soortgelijke concessie. Iloltzmann kon in de Jahrbücher für protestantische Theologie van 1870 zonder overdrijving schrijven, dat de meening van Baur bijna niet meer tegengesproken werd.

Later kwam er een kentering. De tegenspraak van Kling, Riggenbach, Th. Schott, Hofmann, Dietzsch, Meyer e. a. moge weinig of geen gehoor hebben gevonden, het optreden

1) Prof. van Rhijn noemt in zijn bewerking van Riehm's Bijbelsch Woordenboek (II, 570, 572) de meening van Qodet omtrent liet ontstaan van de gemeente te Rome even hypothetisch als de bewering van Kneucker, dat Titus haar stichter zou zijn. Volgens hem kan men niet met zekerheid zeggen, hoe het evangelie te Rome hekend is geworden.

2) Zie nog Zeitschr. f. wiss. Theol., 1892.