is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wettische geest nog niet lang in de gemeente lieerschte en het zedelijk leven nog niet had aangetast, maar zulk een geest pleegt zich toch juist in allerlei uitwendigheden te openbaren. In den brief aan de Galatiërs wordt op de antijoodsche polemiek alle nadruk gelegd (5:6, 14, 18, 23; 6: 12—16). Rom. 16: 17—20 ziet op e3n gevaar, dat in de toekomst dreigde. Wat zou bovendien de beschrijviug van de godsdienstige en zedelijke afdwalingen der Heidenen of het tweede deel van H. 8 te beteekenen hebben? Ook het verschil in toon tusschen den brief aan de Romeinen en dien aan de Galatiërs zou nog verklaard moeten worden.

2. Een andere oplossing wordt aan de hand gedaan door Erasmus, Philippi (Commentar über d. Br. an die Rörner, 1848, le ed.), Tholuck (Auslegung des Briefs P. an die Römer, 1856), Jatho (Riimerbrief, 1859). Paulus, die in Antiochië, Galatië, Korinthe niet de joodsebgezinde ijveraars in botsing was gekomen, vreesde, dat zij ook te Rome hun slag zouden slaan; hij versterkte daarom de gemeente aldaar en wilde ze beveiligen tegen de aanvallen, die in de toekomst dreigden. Deze verklaring past zeer goed bij H. 1:11; 16 : 25. De vraag is echter: le of een brief als deze alleen geschreven zal zijn met het oog op een gevaar, dat in de toekomst wel eens kon dreigen; 2e of dan b.v. H. 1, 8, 12 niet overbodig worden; 3e of Paulus in dat geval het doel van zijn schrijven niet beter zou hebben doen uitkomen dan in een enkele, korte zinspeling aan het slot (16:17—20).

3. Theod. Schott (der Römerbrief, seinem Endzweck und Gedankengang nach ausgelegt, 1858) en Riggenbach (Zeitschrift für lutherische Theologie und Kirche, 1866) meenen, dat Paulus eenvoudig belangstelling voor zijn werk wilde opwekken, nu hij zich gereed maakte om naar het Westen te gaan. In ons vaderland heeft H. N. van Teutem zijn instemming met het werk van Schott uitgesproken in de Nieuwe Jaarboeken voor Wetenschappelijke Theologie, 1862, 261 v. Hij noemt daar den brief aan de Romeinen een rechtvaardiging en aanbeveling van Paulus' evangelieprediking onder de Heidenen, welke hij gereed stond van het Oosten