is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoekt toeuadering tot do leerlingen van den ouden stempel; zijn ijver om de puntjes op de i's te zetten is niet groot, Lij weet van geven en nemen. Prof. Cramer noemt deze hypothese van Prof. van Manen tot verklaring van den brief onhoudbaar, omdat zij den brief niet verklaart (Exeg. et Critica, III, 30; zie ook de op de volgende bladzijden genoemde voorbeelden) J. A. C. van Leeuwen stelde in zijn dissertatie (Utrecht, 1894) „De(n) joodsche(n) achtergrond van den brief aan de Romeinen" in het licht. Lipsius (Handcommentar2, II, 84) schrijft: „Zijn (d. i. van Manen's) voornaamste grond is weer ontleend aan de evolutietheorie: een zoo hoog ontwikkeld leerbegrip, dat in zulk een scherpe tegenstelling tot het Jodendom staat, kan slechts uit lateren tijd (uit de le helft der 2® eeuw) zijn. Verder wordt de moeielijkheid om den brief historisch te verstaan, zijn zoogenaamde verwantschap met de gedachten van het gnosticisme, sporen van gemeentetoestanden van lateren tijd, van vervolging der Christenen, van de verstrooiing van Israël, eindelijk het gebruik maken van de Hand. en van schriftelijke evangeliën te berde gebracht: beweringen, die deels van allen grond ontbloot zijn, deels niet bewezen kunnen worden". *) Bij de exegese zullen wij gelegenheid hebben, van tijd tot tijd op het boek van Prof. van Manen terug te komen.

In nauw verband met de vraag naar de echtheid van den brief staat, gelijk ook uit het laatst besproken werk blijkt, die naar zijn ongeschondenheid.

Het eerst aan de orde zijn de onderzoekingen in zake de laatste hoofdstukken als zijnde de oudste.

Origenes {ad Rom. 16, 25) vermeldt, dat Marcion de twee laatste hoofdstukken weggelaten (verminkt) heeft: „Caput hoe (16 : 25—27) Marcion de hac epistola penitus abstulit et non soluin hoe, sed et ab eo loco ubi scriptum est: „Omne autem quod non est ex fide, peccatum est", usque ad finem

1) Vgl. hierbij het strenge oordeel van Holtzmann (Lehrbuch der histo-

risch-kritischen Eiuleituug in das N. T.3, 1892) over Van Manen en zijne

geestverwantea. Zie ook Sanday-Headlam (LXXXYII, LXXXVIII).