is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«

11

cuncta ilissecuit".!) Volgens Tertullianus (c. Mare. V, 14) stond

14 : 10 „in clausula" van den brief. 2) Deze laatste kerk- |)

vader en Irenaeus hebben geen .aanhaling uit H. 15, 16.

Bovendien staan 16: 25—27 bij verschillende getuigen aan

het einde van H. 14. 3)

Semler onderstelde, dat H. 15 een afzonderlijk schrijven was voor de personen, die Phebe op haar reis bezoeken moest, en H. 16 een lijst van die personen. Paulus van Heidelberg beschouwde ze als een aanhangsel, uitsluitend voor de meest verlichte leden der gemeente te Home bestemd.

Volgens Griesbach en Eichhorn bestaat H. 16 uit verschillende briefjes. Met D. Schultz nemen velen thans aan, dat H. 16 voor de gemeente te Efeze is geschreven, le omdat [

de apostel zoovele bekenden groet, 2e omdat Aquila en Priscilla te Efeze woonden (1 Kor. 16:19; Rom. 16:5). ^

Op de vraag, welk gedeelte nu aan de Efeziërs gericht was,

is het antwoord verschillend. Schultz, Reuss, Weiss, Lipsius,

Clemen, Jülicher beweren H. 16: 1—20; Weizsacker: 1—23;

Ewald, Ritschl, Mangold, Van Rhijn (Theol. Stud. 1884): 16:3—20, enz. H. Schultz rekent ook tot den brief aan de Efeziërs H. 12:1—15:7 4), Weisse: H. 9—11. Volgens Renan was het schrijven voor verschillende gemeenten bestemd; de brief aan de Romeinen bestaat uit H. 1—11 -jH. 15; de brief aan de Efeziërs uit H. 1—11 -(- H. 12— 14 -)- 16:1—20; de brief aan de Thessalonicensen uit H. 1—11 + H. 12—14 16:21—24; de vierde brief (aan een onbekende gemeente) uit H. 1—11 + H. 12—14 +

16 : 25—27. 5)

1) Godet vertaalt in zijn kommeutaar diaaecare, met een beroep op Nitzach (Zeitschr. f. hiat. Theol. 1860), door „veranijden"; iu zijn „Iutroduction", met een beroep op Rönsch (Itala und Vulgata) door „afsnijden". Zahn (Einl. S. 277)

geeft aan het eerste de voorkeur.

2) Hieruit mag men echter niet te veel afleiden, vgl. Zahn.

3) Zie Sanday-Headlam XC, XCI. T\

4) Dit heeft Spitta weer aanleiding gegeven om van twee echte brieven aan de Romeinen te spreken. Ygl. Zahn (Einl. S. 297, 298), Van Rhijn (Theol. Studiën, 1891, Blz. 377 v.)

5) Vgl. Godg. Bijdr. 1870.