Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Messias op den voorgrond treedt, die dezelfde is als Jezus. Het kan ons niet bevreemden, dat de laatste verbinding vrij dikwijls bij Paulus voorkomt. Op weg naar Damaskus had hij den Messias in zijn heerlijkheid aanschouwd, voordat hij wist, dat de Messias Jezus was. — Daar de titel „dienstknecht van Christus Jezus" nog te algemeen is, noemt Paulus zich bovendien met nadruk „apostel". Dit was het hoogste. De andere dienstknechten bouwden de gemeente, of door ze (als evangelisten) extensief uit te breiden, öf door ze (als herders en leeraars) intensief te volmaken, maar de apostelen hadden, in vereeniging met de N.T.ische profeten, de nog gewichtiger taak, ze te grondvesten (vgl. Ef. 2:20; 4:11, 12). Dit hooge voorrecht is Paulus deelachtig geworden door roeping. Men vertale de uitdrukking iitó<tto?>o? niet door „ge¬

roepen om apostel te zijn", evenmin als k^toT? xyloit (vs. 7) door „geroepen om heiligen te zijn", daar het adj.

minder de daad van het roepen zelf uitdrukt dan

wel een eigenschap, die het subject ten gevolge van de roeping kenmerkt: „tot apostel geworden door een roeping". Deze aanduiding bevat geen polemiek tegen de joodschgezinden, die zijn apostelschap bestreden (Lipsius). Yan Manen beweert op grond van deze z.g. poging van Paulus om zijn recht op den naam van apostel te handhaven, dat Paulus dit tegenover de hem onbekende Romeinen niet behoefde te doen, zuodat hier aan een latere bewerking moet worden gedacht. J) Maar wat zou tegenover joodschgezinden een eenvoudige verzekering hebben gebaat? In den geheelen brief is van oppositie tegen Paulus' gezag niet het minste spoor. Door te wijzen op het Goddelijk karakter van zijn roeping, wil hij eenvoudig zijn onderwijs legitimeeren (vgl. Ef. 1:1; Kol. 1:1). En zou dit juist tegenover de hem onbekende Romeinen misschien niet bijzonder van pas zijn? — Zich een (van God) geroepen apostel noemende (yMtoi; is bij hem geregeld de vocatio efficax, niet, zooals in de evangeliën, een tegenstelling van enten ris), zal

X) Paulus, II, 173.

Sluiten