Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Paulus wel aan het oogenblik zijner bekeering gedacht hebben, maar de herinnering van deze buitengewone gebeurtenis verwekt in zijn hart nog een ander gevoel: hij is tot dit apostelschap voorbereid, lang voordat hij er toe geroepen werd; hij is xQupitrptivos d. i. afgezonderd van de overige menschen. Zie Gal. 1:15: o &Qop!<rxs [as Ik xoihixg f«jrpa?. Paulus ziet op zijn vroeger leven terug (zie bi. IX en Yan Rhijn, Art. Paulus in Riehm blz. 339) en vindt in de leidingen Gods het bewijs, dat hij tot apostel der Heidenen bestemd was. Die leidingen Gods werpen nog hun vrucht af (vandaar perf.). Men denke dus niet aan de wijding, die hij met Barnabas in de gemeente van Antiochië ontvangen had (Hand. 13:2, 3 xQoplaxTe), noch aan het eeuwig raadsbesluit Gods, want dan zou er Ttpoupippiévoi; staan.

Het doel van de Goddelijke afzondering, die tot zijn geboorte opklom, wordt uitgedrukt in de woorden „tot het evangelie Gods". Het meerendeel der uitleggers verstaat daaronder het evangelie, wat zijn inhoud betreft, zoodat men het voorzetsel el? aldus moet omschrijven: om te prediken het evangelie Gods. Godet vindt dit ietwat gewrongen en schaart zich daarom aan de zijde van Rückert, Th. Schott, die in „het evangelie" „de daad der evangelieprediking" zien. Inderdaad valt het niet te ontkennen, dat in het N. T. to evxyyéKtov beteekent ro evxyyehlfaiixi (zie 1 Thess. 1:5), maar de vraag is, 1° of in dien zin van siiayyèKiov Scov kan worden gesproken, 2° of de volgende relatieve zin die beteekenis toelaat. Wat de eerste vraag aangaat, stemt Godet toe, dat de gen. geen gen. obj. (God prediken!), maar een gen. subj. (auctoris) is. Toch meent hij de beteekenis „evangelieprediking" te kunnen vasthouden door niet aan de apostolische prediking, maar aan de boodschap des heils van God zeiven aan de menschheid te denken. Ons komt de uitdrukking „evangelieprediking Gods" vreemd voor. En vreemder nog „afgezonderd tot evangelieprediking Gods". Bovendien kunnen wij niet met Godet medegaan, als hij den volgenden relatieven zin zoo verklaart, dat niet het evangelie, maar de evangelieprediking van te voren door de profeten

Sluiten