is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Schrijf op plaatsen als Kol. 1:13; Joh. 3:35; Mark. 1:11 e. a. „Geliefde" in plaats van „Zoon", en de onmogelijkheid van die verklaring springt in het oog. Het koninkrijk van den Geliefde zijner liefde! De Vader heeft den Geliefde lief! Gij zijt mijn geliefde Geliefde! Uit deze verzen blijkt, dat de woorden „Zoon" en „Geliefde" woorden van verschillende beteekenis zijn; het eerste duidt een wezensverhouding aan, het tweede een daaruit voortvloeiende zedelijke betrekking. Lipsius zelf, die niet van dogmatische vooringenomenheid op dit punt kan verdacht worden, verklaart in de „ProtestantenBibel : „In tegenstelling met de joodsch-christelijke opvatting, voor welke de titel „Zoon Gods" slechts een eeretitel was, aan een menschelijken persoon gegeven, beschouwt Paulus de aardsche verschijning van den Messias alleen als het omhulsel van zijn hemelsche persoonlijkheid." Juist Oltramare kon tengevolge van dogmatische vooringenomenheid aan de bedoeling van Paulus geen recht laten wedervaren.

De Zoon, van wien het evangelie Gods getuigt, wordt in het volgende nader aangeduid door twee bepalingen, wier beteekenis en bedoeling men op verschillende wijzen uitlegt. Om de zaak op te helderen, wil ik hier terstond de gedachte aangeven, waardoor deze bepalingen m. i. beheerscht worden, benevens hun verband met het vervolg van het adres: „Aangaande zijn Zoon, die, Messias der Joden door zijn afstamming van David naar het vleesch (vs. 3), door zijn opstanding een nieuwen, hoogeren vorm van bestaan, dien van Zoon Gods, deelachtig is geworden, waardoor hij onbeperkte macht bezit (vs. 4). Krachtens deze Goddelijke waardigheid heeft hij mij, Paulus, geroepen tot apostel der Heidenen (vs. 5), tot welke gij, Christenen te Rome, behoort (vs. 6).' Hieruit volgt, dat de lezers, hoewel niet door hem bekeerd, toch binnen zijn apostolischen werkkring vielen.

De bedoeling van den apostel is dus geenszins, door vs. 3, 4 de gunst van een nog joodsch-christelijke gemeente te winnen( Mangold e. a.), noch onmiddellijk, bij het begin van den brief, wat hem het gewichtigste toescheen in de kennis van Christus uiteen te zetten (Gess, Beet). Dit zou geen