is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschheid van Jezus uitsluiten, zooals het N. T. die leert (zie b.v. Joh. 12:27; 11:33; Rom. 5:15; 1 Tim. 2:5)Wij moeten ons dus aan de derde beteekenis houden. Het menschelijk wezen wordt dan aangeduid door het bestanddeel, dat het meest in het oog valt. Jezus stamt, als mensch, af van het hoofd van het Israëlietische koninklijke geslacht. Zijn menschheid draagt daarom twee kenteekenen, het nationaal-joodsche en het koninklijk-davidische. Indien Paulus hier, in plaats van aan Jezus als den Messias te denken, in 't algemeen zijn menschheid had willen doen uitkomen, zou hij, evenals Johannes (1:14), gezegd hebben: <rxp% ysvóftevos.

Maar de Joden hebben Jezus niet als hun Messias aangenomen. Niet als Koning der Joden erkend, niet langs normalen weg van Koning der Joden „Verlosser der Heidenen" geworden, heeft hij deze tweede waardigheid (een aanvulling van de eerste) slechts door een gewelddadige krisis (dood en opstanding) kunnen verwerven. Door deze radikale verandering heeft hij zijn joodsch en davidisch karakter afgelegd en is in een toestand gekomen, die aan zijn wezen als Zoon van God beantwoordde. Zij is historisch de grondslag van zijn heerschappij over de Heidenen geworden (vs. 4).

Vs. 4. Aanbeveling verdient het voorstel van Lipsius, om tov u'ioïi xvtov (vs. 2) niet als grammatikaal onderwerp zoowel van tov ysvofiévou als van toü ipitrdivTO? op te vatten, zoodat deze beide participia gecoördineerd zouden zijn , maar verband te leggen tusschen hetgeen werkelijk bijeen behoort tov vlov xvtov .... xxtx vxpxx, waarbij tov óptaSévTOi enz. als nadere bepaling is toegevoegd. Zóó vervalt ook het bezwaar van Van Manen (t. a. p. bl. 37), die de opmerking, dat Gods Zoon Gods Zoon geworden is, vrij overbodig vindt en "aan „het opeenstapelen van leerstellige meeningen" denkt.

Het woord ópl&tv beteekent eigenlijk: begrenzen (van opof, grens); vandaar de beteekenis: besluiten, vaststellen, bestemmen; zie Luk. 22:22; Hand. 10:42; 17:31. Godet meent, dat men hier moet voortgaan tot de beteekenis van