is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inzetten (in een waardigheid), aanstellen. Toch schijnt het recht hiertoe twijfelachtig; zie Cremer, in voce. Ook wanneer de gedachte aan een grenzen trekkende daad niet behoeft te worden uitgesloten, inzoover die daad gevolg is van een zoodanig besluit, zoo is toch niet bewijsbaar, dat ipi^eiv iets anders is dan besluiten, vaststellen, verklaren. De samenhang moet dan uitwijzen of bedoeld wordt: verklaren, wat iemand is (dat iemand het is), of verklaren, wat hij zijn zal. Het laatste vinden wij Hand. 17:31; 10:42. Hier eischt het vei'band „voor Zoon Gods verklaard worden" l) nl. dat hij het is, niet dat hij het zijn zal. Het ópi^stv volgt immers op het worden uit het zaad van David. Ook laat de geheele context de andere beteekenis niet toe.

'Optfytv heeft drie bepalingen. De eerste duidt de wijze aan: èv tiuvctpei; een triumfeerende daad alzoo, waarin de Goddelijke macht schitterend is uitgekomen. Verscheidene verklaarders (Melanchton, Philippi, Weiss 2), Lipsius enz.) zien hierin een nadere bepaling van Zoon Gods: „een Zoon Gods in een (staat van macht", in tegenstelling met den staat van zwakheid, waarin Jezus zich hier beneden bevond; vgl. 2 Kor. 13:4. Maar Paulus denkt hier niet aan een tegenstelling tusschen een Zoon Gods in zwakheid en een Zoon Gods in kracht. De uitdrukking „door kracht" moet veeleer worden verklaard naar die in H. 6:4: „hij is opgewekt door de heerlijkheid des Vaders" d. i. door een wonder, waarin de volheid der Goddelijke volkomenheden zich heerlijk ontplooid heeft.

De tweede bepaling: kxtx irveü/tx ayiu<ruv>ts, wijst de zedelijke oorzaak aan van die ontplooiing der Goddelijke macht in Christus. Bij den eersten oogopslag zou men geneigd zijn, de tegenstelling met kxtx trxpxx aldus te verklaren: „naar den geestelijken of innerlijken mensch". Dit

1) Vgl. Blom, Het belang van Jezus' opstanding voor de kennis Tan hem als Gods Zoon, naai- Rom. 1 : 4 (Theol. Tijdschr., 1880).

2) Die, vreemd genoeg, Godet onder de vooratanders van deze verklaring noemt.