is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geloovigen mede te deelen (Chrysostomus, Luther1)). Maar in deze gevallen zou de uitdrukking der gedachte zeer onnauwkeurig zijn; en in de laatste beteekenis zou zij beter op het feit van Pinksteren dan op dat der opstanding passen. Weiss neemt den zin zoo algemeen mogelijk. De geest der heiligheid wijst, volgens hem, op „een specifiek-Goddelijk bestanddeel van de natuur van Christus". Maar de apostel, die schreef: „Dewijl de dood is door een mensch, zoo is ook de opstanding der dooden door een mensch" (1 Kor. 15: 21), kan de opstanding van Jezus niet aan het Goddelijke bestanddeel zijner natuur hebben toegeschreven.

Naar mijn meening duidt de uitdrukking noch een bijzonder bestanddeel van de menschelijke natuur van Christus, noch zijn Goddelijke natuur aan. De Geest der heiligheid, waarvan Paulus spreekt, is de heilige adem, die het menschelijk wezen des Heeren van het eerste tot het laatste oogenblik van zijn aardsch bestaan heeft doordrongen, heeft levend gemaakt, heeft gewijd. In Jezus was dit element van het menschelijk wezen, hetwelk den naam draagt van geest, als receptief beginsel, het orgaan voor het Goddelijke, gelijk trouwens in elke menschenziel, welke op die wijze een woonstede van den H. Geest kan worden: twee geestelijke factoren alzoo vereenigd in een enkel leven (H. 8 : 10). Vgl. de uitdrukking in den brief aan de Hebreën (9: 14): „die zichzelven door den eeuwigen Geest onbesmet Gode geofferd heeft". Zoo verklaart zich ook eenvoudig de bepaling «.ytusuwn: „de Geest, welks vrucht in Christus de volkomen heiligheid was". Deze absolute heerschappij van den Heiligen Geest over het menschelijk leven van Christus was de zedelijke voorwaarde zijner opstanding. Vgl. dezelfde gedachte met betrekking tot de opstanding der geloovigen, H. 8 : 5—11; zie inzonderheid vs. 11; alleen met dit onderscheid, dat de heiligheid, welke de Heilige Geest bij de geloovigen verwekt, relatief is, en een voorbijgaande ontbinding des lichaams niet uit-

1) Clemen zegt (Theol. Ltzt. 1898, 36.3) met het oog op deze plaats: „das ayiwrvvye eignet dort erst dem Auferstaiideuen".