Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schijnlijker, omdat de bovennatuurlijke ontvangenis in het bijzonder op den voorgrond treedt in de paulinische overlevering, zooals die in het evangelie van Lukas bewaard is. Zij stemt ook overeen met de tegenstelling, welke Paulus maakt tusschen „Zoon Gods" en „afstammeling van David". Eindelijk bevat de uitdrukking „naar den Geest der heiligheid", zooals wij die verklaard hebben, een zinspeling op de heiligende werking, die de Goddelijke Geest op de menschelijke persoonlijkheid van Jezus gedurende zijn geheele aardsche bestaan heeft gehad, en die zijn opstanding mogelijk heeft gemaakt. De bovennatuurlijke ontvangenis nu was het normale uitgangspunt van deze werking; zie Luk. 1:35. Het komt mij dus waarschijnlijk voor, dat Paulus deze twee verzen niet aldus zou geschreven hebben, wanneer hij de bovennatuurlijke ontvangenis niet in het oog had gehad. Maar waarom komt zij dan in zijne brieven niet voor? Zij is ook vreemd aan de overige N.T.ische geschriften en zelfs aan de twee boeken, welke met de geboorte van Jezus aanvangen (behalve misschien aan het geslachtsregister Lukas 3:23). Deze omstandigheid bewijst, dat stilzwijgen niet gelijk staat met ontkennen en veeleer uit het teedere en kiesche der zaak moet verklaard worden. Ook is zij meer een onderstelling dan een eigenlijk bestanddeel der heilsleer.

Ys. 5, 6: „door wien wij ontvangen hebben genade en apostelschap tot gehoorzaamheid des geloofs onder al de Heidenen, voor zijnen naam, 6 onder welke ook gij zijt, geroepenen van Jezus Christus

De woorden 3/' oS wijzen aan, dat door bemiddeling van dezen Christus, die tot den staat van Zoon Gods verheven en daardoor in betrekking tot de gansche menschheid gekomen is, het nieuwe apostelschap is ingesteld, hetwelk de Heidenen moet omvatten (zie Gal. 1 : 1). Bij het meervoud ikifiefuv denken Bengel, Van Hengel en Zahn aan Paulus

Sluiten