is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en de overige apostelen; Hofmann aan Paulus en zyne apostolische helpers (Barnabas, Silas, Timotheüs e. a.). Deze verklaringen zijn echter onjuist: de eerste, omdat hier alleen sprake is van de instelling van een apostelambt voor de Heidenen; de tweede, omdat Paulus hier over zijn officieele waardigheid handelt en niet één zijner medewerkers deel kon geven aan de taak, welke de Heer hem persoonlijk had toevertrouwd. Het meervoud, dat Van Manen (t. a. p. bl. 41) aan een omwerker doet denken, is het meervoud der kategorie, hetwelk de Grieken gaarne gebruiken, wanneer zij hun persoon op den achtergrond stellen om alleen de aandacht te vragen voor het beginsel dat zij vertegenwoordigen, of voor het werk dat hun is toevertrouwd. — De woorden %xpiv kx) oc7t0<s70\v)v worden door Chrysostomus, Philippi e. a. verklaard alsof er stond: de genade van het apostelschap (km — te weten), maar waarom schrijft Paulus dan niet %<ipiv rij? airoirToMjs? Ook Oltramare en Hofmann verstaan de beide uitdrukkingen van het ambt van den apostel, in dien zin, dat de eerste het ambt als een genade, de tweede het als een taak zou aanduiden. Maar het ambt wordt eerst genoemd na de genade en kan er dus niet onder begrepen zijn. Het meest voor de hand ligt, het woord „genade" in zijn algemeenen zin op te vatten als gave des heils (1 Kor. 15:10); „het apostelschap" wijst daarna de roeping aan, met het oog waarop de genade hem bewezen is (1 Tim. 1:12). Deze twee gaven, de persoonlijke begenadiging en het apostelschap, zijn bij Paulus één. Het doel van Christus bij deze begenadiging en roeping was: de gehoorzaamheid des geloofs onder alle Heidenen te verbreiden. Het is onmogelijk, onder „gehoorzaamheid" te verstaan de heiligheid, die het geloof moet voortbrengen, want het geloof moet aanwezig zijn, voordat er van vruchten des geloofs sprake kan wezen. Bedoeld wordt dus de taak om het geloof in het leven te roepen. De verklaring van Meyer, Philippi, Oltramare „de gehoorzaamheid aan het geloof" is evenmin juist. Men zou dan „geloof" (objectief) moeten nemen in de beteekenis van christelijke waarheid, welke echter aan het N. T. vreemd