is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer bepaalde en beperkte beteekenis heeft verkregen van de volken of Heidenen (gentes), in tegenstelling met dit bijzondere volk (i Wf). Vgl. in het O. T. Gen. 12:3; Jes. 42: 6 enz. en in het N. T. Hand. 9: 15; 11:1, 18; 28 :28; Gal. 1:16; 2:7 9; 3:14; Ef. 2:11; 3:6 enz. Die bijzondere beteekenis keert, zooals wij zien zullen, telkens in onzen brief terug, met uitzondering van H. 4: 17, waar het woord ióvti, om den aard der profetische uitspraak van het O. T., den meer algemeenen zin heeft. Zie vooral H. 2: 14; 3:29; 11:13; 15:8, 9. In ons vers eischt de samenhang met het voorafgaande de beperkte beteekenis. De verzen 3, 4 bedoelen niets anders dan dé verklaring van de instelling van een apostelschap voor de Heidenen als zoodanig. Hiertoe stelt Paulus den Zoon Gods tegenover den Zoon Davids, den Heer der wereld tegenover den Messias van Israël.

De derde bepaling: virèp toü övo'/.cxtoc, voor, ten nutte van, ter eere van zijn naam, hangt van den geheelen voorafgaanden zin af, te beginnen met „wij hebben ontvangen". Het onmiddellijke doel van de hem geschonken gave is: het geloof in de heidenwereld te verbreiden; en het doel van deze verbreiding: de eer van Jezus' naam te verheffen, door de sfeer van zijn werkzaamheid uit te breiden en het getal te vermeerderen van hen, die hem als hun Heer aanroepen. Dit woord is als een echo op de boodschap van Jezus tot Paulus door middel van Ananias: „deze is mij eeD uitverkoren vat om mijnen naam te dragen voor de Heidenen"; vgl. wat de beteekenis der uitdrukking betreft Hand. 15: 26 • 21:13; 3 Joh. 7. Zoowel deze teksten als de beteekenis van het voorzetsel Mp in het gansche N. T. verhinderen ons, Oltramare te volgen in zijn verklaring: op gezag van hem. die ons deze zending heeft toevertrouwd. Bovendien zou deze gedachte slechts een herhaling zijn van het begin van het vers. De woorden openbaren ons de verborgen drijfkracht van Paulus' arbeid: de verheerlijking, niet van zijn eigen naam, maar van den eenigen naam, die verdiende verheerlijkt te worden. In zijn eigen persoon had Christus het