is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omhulsel van den joodschen vorm gebroken om daarna te kunnen breken het nationale omhulsel, waarin het koninkrijk Gods tot dusver was opgesloten. Om dit heerlijke gevolg te bewerken en zijn naam te doen weerklinken tot aan de einden der aarde had hij Paulus geroepen. En krachtens die roeping richt deze zich tot zijne lezers (vs. 6).

Het 6® vers kan op drieërlei wijze geconstrueerd worden: öf men maakt k\^to) 'Iyaoü Xpuroü tot bepaling van êarè „onder welke gij geroepenen van Jezus Christus zijt"; öf men kan er een vocativus in zien „o, geroepenen van Jezus Christus"; öf, wat bijna op hetzelfde neerkomt, men kan deze woorden maken tot appositie van het onderwerp „gij" „onder welke ook gij zijt, gij, die geroepenen van Jezus Christus zijt". De eerste constructie geeft geen eenvoudigen zin; het werkwoord "gij zijt" heeft in dit geval twee bepalingen „gij zijt in het midden van hen" en „gij zijt geroepenen van Jezus Christus". Daarbij komt, dat xoct in dit geval moest beteekenen „evenals al de andere Christenen der wereld", — een overbodig en onduidelijk toevoegsel. Uitleggers als de Wette, Meyer e. a. zijn tot deze constructie gekomen, omdat het hun onnoodig toescheen, Paulus te doen zeggen „gij behoort tot de Heidenen . Maar deze gedachte is integendeel zeer essentieel. Het is de minor van het syllogisme, waarin Paulus om zoo te zeggen de Romeinen insluit. De major is: Christus heeft mij tot apostel der Heidenen gemaakt; de minor: gij behoort tot de Heidenen; derhalve, in naam van Christus, zijt gij schapen mijner kudde. Bij deze opvatting wordt x*l gemakkelijk verklaard: „daar gij, zoowel als de Heidenen die persoonlijk door mij geroepen zijn, tot mijn apostolischen werkkring behoort". De woorden „geroepenen van Jezus" worden beter als appositie dan als vocativus verklaard. Deze titel beantwoordt aan wat Paulus van zichzelven gezegd had (vs. 1: K^rog xttóotoXos). De roeping van Christus is de band, die hen vereenigt; zij bewijst het recht van den auteur om te schrijven, zij verplicht de lezers hem te hooren. Men kan de bepaling „van Jezus Christus" een genitivus possessivus noemen „geroepenen, die van Jezus Christus zijn". Inderdaad