is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt de Goddelijke roeping gewoonlijk aan God, niet aan Christus toegekend (8:30; 9:24; Gal. 1:6, 15; 1 Kor1:9 enz.). Maar volgens den samenhang valt de nadruk niet zoozeer op de gedachte, dat zij het eigendom des Heeren zijn, als wel hierop, dat de Heer zelf aan hen gewerkt heeft om hen tot geloovigen te maken, evenals hij aan Paulus zeiven werkte om hem tot hun apostel te maken. En wat staat de vermelding van Christus als het instrument der Goddelijke roeping in den weg? Zie 3t' ov in het begin van vs. 5. — Het begrip „roeping" (van God of van Christus) is bij Paulus tweeledig: de drang van buiten door de prediking en tegelijk de trekking van binnen door den Heiligen Geest. Natuurlijk is geen van deze beide impulsies mechanisch; het geloof blijft een vrije daad. De Romeinen hebben geloofd, want zij waren leden eener gemeente en lezers van dezen brief — Volkmar omschrijft dit vers aldus: „Het komt u misschien voor, alsof ik slechts apostel der Grieken ben, en gij, als geboren Joden, niet noodig hebt, een brief van mij te'ontvangen; maar hoewel gij Joden zijt, maakt gij toch deel uit van de volken (!), waarvan ik apostel ben". Het is juist het omgekeerde van hetgeen de apostel wil zeggen (zie bij vs. 5).

Het tweede en derde deel van het adres, de bepaling der lezers en de heilwensch, zijn vervat in het volgende vers:

Vs. 7: % aan allen, die te Rome ') zijn, geliefden Gods, geroepen heiligen, genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en van den Heer Jezus Christus."

De dativus hangt af van een verzwegen werkwoord: ik schrijf aan, of: ik richt mij tot. Godet vindt het eenvoudiger, hem te verbinden aan het verzwegen werkwoord van den heilwensch „mogen gegeven worden", hetgeen echter de andere dativus üftlv verbiedt. Immers het ligt weinig voor

1) Het woord VuM ontbreekt in Gg, die na » leïen ccyttx^ Seov.