is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de hand „u" met „allen" te verbinden, en een herhaald „aan allen mogen gegeven worden" en „aan u mogen gegeven worden" klinkt evenmin vloeiend. Ook wijk ik af van Godet en volg mijn leermeester, Prof. Cramer, in zake de verbinding van rol's oüan èv 'Pu^ en xya^roT; êeoü. Godet vertaalt: „aan al de geliefden Gods, die te Rome zijn"; Cramer (Exegetica et Critica III, 42, 43): „aan allen, die te Rome zijn, geliefden Gods". Tot de eerste, gewrongen, opvatting zal men zeker gekomen zijn, omdat men geen weg wist met „allen, die te Rome zijn". Prof. Van Manen (Paulus II, 14 v.) ziet in o't ovtcs echte, ware Christenen, die zoo heeten, omdat zij deel hadden aan Hem, die bij uitnemendheid b w, de zijnde, is. Zij zouden ook vermeld zijn H. 12:3 (ttxvu tq Svti èv ü/*ïv). Prof. Cramer heeft deze exegese reeds getoetst en te licht bevonden (t. a. p. 43—47). De uitdrukking „allen, die te Rome zijn" behoeft nog geen Romeinsche Joden of Heidenen te omvatten. „Dat iemand", zoo schrijft Prof. Cramer, „niet in eene verhandeling, die algemeen verkrijgbaar wordt gesteld, maar in een brief, die aan een broeder of zuster voor de Christenen te Rome wordt medegegeven, en alleen onder de Christenen te Rome gelezen wordt, zich richt tot allen die te Rome zijn, dat kan toch niemand in verwarring brengen, alsof de schrijver ook nog Romeinsche Heidenen of Joden had bedoeld." En als men vraagt, waarom de apostel zooveel nadruk legt op dat allen, dan wijzen wij op zijn bedoeling om den kring van vs. 6, van degenen die tot de Heidenen behooren, uit te breiden. Paulus betwijfelt niet, dat onder de Christenen te Rome een zeker aantal broeders van joodschen oorsprong^ gevonden wordt, en hij sluit hen door dit „allen" in bij den kring, waaraan hij dezen brief schrijft. Daarom behoeft men dit „allen, die te Rome zijn" nog met op de joodsclie, en het „geliefden Gods" niet op de heidensche geloovigen te laten slaan (Bengel). De „geliefden Gods" zijn al de geloovigen te Rome, Joden en Heidenen. Alle menschen zijn in zekeren zin „geliefden Gods" (Joh. 3:16); maar buiten het geloof kan deze liefde