is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en zijn plaatselijke bestemming, en daarom door het weglaten van „te Rome" aan het schrijven een meer algemeen karakter heeft toegekend.

De apostel begroet de geloovigen te Bome niet, zooals die te Thessalonika, Galatië, Korinthe, met den naam van „gemeente". Men zou hieruit kunnen afleiden, dat de verschillende christelijke groepen, van welke er meerdere in H. 16 opgenoemd worden, nog niet door een organisatie waren verbonden. Echter laten Fil. 1 :1 en Kol. 1 : 2 deze conclusie niet geheel toe. Ook ligt aan 7tspl ttxvtuv l>uüv (vs. 8) ontegenzeggelijk de idee van eenheid ten grondslag.

Het slot van het 7de vers bevat de ontwikkeling van het derde deel van het adres, den heilwensch. Wat den vorm betreft, vertegenwoordigt %»pts (%xipuv) de grieksche, «pw (schalom) de hebreeuwsche begroetingsformule. In plaats van X«lpnv, vreugde en voorspoed, bidt Paulus hun de goederen toe, die den rijkdom en het geluk van den Christen uitmaken. De genade, %xpt;, duidt aan de liefde Gods, in den vorm van vergeving met al de daaruit voortvloeiende zegeningen, aan de geloovigen geopenbaard; de vrede, s'ipjvv, het gevoel van diepe rust, dat het bezit van de verzoening en van het kindschap Gods aan het hart geeft. Er is geen reden, deze natuurlijke beteekenis van het grieksche woord los te laten en, met Weiss, het in den meer algemeenen zin van heil, voorspoed op te vatten (hebr. schalom); wil men aan de beteekenis van de oorspronkelijke begroetingsformule vasthouden, dan verlieze men niet uit het oog, dat de hebr. en de grieksche formule in den grond hetzelfde bedoelen; dan ligt het begrip „heil" evengoed in %dpis als in sipyi/y en zou tweemaal hetzelfde gezegd zijn. Vgl. ook H. 5: 1 en Joh. 14: 27, waar „vrede" staat tegenover „onrust", en Jezus van „mijnen vrede" spreekt. Het zou kunnen schijnen, alsof de boven gebruikte benaming „geliefden Gods" reeds het bezit van deze gaven in zich sloot; maar de Christen heeft niets, hetwelk niet altijd opnieuw ontvangen en dagelijks door nieuwe daden van geloof en gebed moet vermeerderd worden. — In de „Openbaring" lezen wij, dat het heil afdaalt