Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„van den troon van God en van het Lam"; evenzoo laat Paulus de twee zegeningen, welke hij den geloovigen te Rome toewenscht, van God en van Jezus Christus afdalen; van God, als Vader, en van Jezus Christus, als Heer of Hoofd der gemeente. Men moet niet verklaren, alsof er stond: van God door Christus. De twee zelfstandige naamwoorden hangen af van eenzelfde gemeenschappelijk voorzetsel: ivi. De apostel denkt dus niet aan een bron en aan een kanaal, maar aan twee bronnen. De liefde van God en de liefde van Christus is tweeërlei liefde; de eene, die van een Vader, de andere, die van een Broeder. Christus heeft lief met lijn liefde, H. 5:15; vgl. Joh. 5:21, 26. Erasmus is op het ongelukkige denkbeeld gekomen, van de woorden „Jezus Christus, onzen Heer" een tweede bepaling van het woord „Vader" te maken: „Vader van ons en van Jezus Christus". Maar in dit geval zou de bepaling „Jezus Christus" moeten voorafgaan; bovendien zou de vermelding van het vaderschap Gods ten opzichte van Christus in het verband geen zin hebben. De constructie, waarbij Jezus Christus en de Vader naast elkander gesteld en van eenzelfde voorzetsel afhankelijk gemaakt worden, onderstelt het geloof aan de Goddelijke natuur van Christus.

Men kan niet anders dan de omzichtigheid en de wijsheid bewonderen, waarmede Paulus aanvangt. Om zijn optreden te rechtvaardigen, beroept bij zich op zijn waardigheid als apostel der Heidenen; om deze te verklaren, gaat hij terug tot de verandering, die de opstanding in den persoon van Christus bewerkt heeft, door hem van Messias der Joden tot Heer over allen te maken. Zoo wordt de overtuiging, welke hij zelf aangaande zijn persoon en zijn roeping heeft, ook die der gemeente.

Sluiten