Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bevat een zinspeling op de positie van Rome als hoofdstad der wereld; vgl. Kol. 1 : 6.

Vs. 9, 10: „Want God, wien ik in mijnen geest dien in het evangelie zijns Zoons, is mijn getuige, hoe ik zonder ophouden uwer gedenk, 10 altijd in mijne gebeden smeekende, of het mij eindelijk eens door den wil Gods gelukken mocht, tot u te komen;"

Daar de voortdurende dankzegging van den apostel een intieme zaak was, waarvan niemand anders dan God kennis droeg, en bij het woord in vs. 8 gemakkelijk aan overdrijving kon gedacht worden, beroept hij zich op den eenigen getuige, op God. Paulus denkt aan die oogenblikken van vertrouwelijke samenspreking met God, die hij dagelijks bij de uitoefening van zijn werk heeft; want hij vervult die taak als aan Gods voeten. In mijnen geest, zegt hij, d. i. in het innerlijkste deel van mijn wezen, waar zich het orgaan bevindt, waardoor mijn ziel met de wereld der Goddelijke dingen in gemeenschap treedt. De „geest" is hier dus één van de elementen zijner menschelijke natuur (1 Thess. 5: 23); maar, zooals blijkbaar wordt ondersteld, doortrokken van Gods Geest. Wanneer Paulus zegt „in het evangelie zijns Zoons", denkt hij aan de prediking van het evangelie. Deze daad is voor hem een voortdurende eeredienst, dien hij slechts op zijne knieën verricht. !) De woorden „zijns Zoons" doen de hooge beteekenis dier prediking uitkomen. Hoe kan iemand arbeiden in den dienst van den Zoon dan in gemeenschap met God zeiven! Men moet w? niet vertalen door „dat", ook niet door „hoezeer", hetgeen te sterk is, maar door „hoe". De woorden „zonder ophouden enz." maken de uitdrukking

1) Van Manen (t. a. p. bl. 175, 176) denkt aan een geschreven eva)igelie als den grond, waarop het geestelijk dienen van God bij Paulus rust en noemt evangelieprediking „praten over God"!!

Sluiten