is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toegevoegd om hen tot de wijzen te kunnen rekenen en aldus iedere gedachte aan geringschatting van hen af te snijden. Godet zegt, dat zij Grieken zijn omdat zij hier in het grieksch worden aangesproken en van oudsher de grieksche beschaving zich hadden eigen gemaakt, :) terwijl ook Cicero (De finibus II, 15) „Graecia en Italia" tegenover „Barbaria" stelt. Van de tweede kategorie worden volgens hem beide soorten te Rome gevonden. De kwestie kan ons niet warm maken. Van Hengel schrijft terecht „quaestionem revera supervacaneam esse". Paulus wil blijkbaar te kennen geven, dat hij van alle mogelijke Heidenen de schuldenaar is en dus ook van de Romeinen. Hij is hun schuldig zijn leven, zijn persoon, krachtens de genade die hem gegeven en de taak die hem toevertrouwd is (vs. 5). De emotie, door deze gedachte gewekt, veroorzaakt het asyndeton8) tusschen vs. 13 en vs. 14.

Vs. 15: „Zoo ben ik voor mij bereidwillig om ook aan u, die te Rome 3) zijt, het evangelie te verkondigen."

Het partikel ouru? drukt niet de vergelijking maar de conclusie uit. Paulus sluit zijn betrekking tot de Romeinen bij zijn betrekking tot alle Heidenen in. — Op drieërlei wijze verklaart men de grammatikale constructie van dit vers. Het eenvoudigste schijnt mij, van de woorden to kxt' èpe trpóöuf/.ov het onderwerp van den zin te maken: „Mijn bereidwilligheid, zooveel mij aangaat, onafhankelijk van de omstandigheden, die de uitvoering van mijn plan

kunnen verhinderen, is ". Zoo Fritzsche, Reiche,

Philippi e. a. De Wette en Meyer verbinden tó met kxt' s;j.s tot een adverbiale spreekwijze, die hetzelfde beteekent als kxt' è(ié alleen, nemen irpoiuf/.ov als substantivum en als

1) Graecia hos aunumerat, sd quos Graece scribit (Bengel).

2) Ontbreken van ieder logisch partikel.

8) Gg laten toi$ ev Poi/utf weg. Vgl. Zahn (S. 278 279).