Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderwerp van den zin: „Er is, zooveel mij aangaat, bereidwilligheid om Men heeft ook van rè kxt' i/ii een

omschrijving van fyü als onderwerp van den zin gemaakt en van 7rpóSufA0v het gezegde: „Mijn persoonlijke gezindheid

is de bereidwilligheid om u te prediken De be-

teekenis blijft bij de drie verklaringen nagenoeg dezelfde. — Godet leidt uit de uitdrukking „evangeliseeren" af, dat Paulus hier niet denkt aan de versterking der geloovigen maar aan de uitbreiding der gemeente onder Joden en Heidenen , waarom ook met „u, die te Rome zijtbedoeld zou zijn: de geheele bevolking der stad, door de lezers van den brief vertegenwoordigd. ') Dit laatste is wat gewrongen; waarom werd 1(jüv dan niet weggelaten? Ook behoeft bij euxyyeKi<rx<r9xt niet noodzakelijk aan een prediking onder niet-Christenen gedacht te worden; zie H. 15 : 20; Gal. 1:8,9. Is het te gewaagd, de bereidwilligheid om te komen in verband te brengen met de evangelieprediking, die de apostel nu in zijn brief begint? Vgl. Weiss. 2)

1) Zoo ook Zahn.

2) Klostermann brengt tegen de gewone verklaring in, dat men na de woorden „ik wil u er niet onkundig van laten" als object de reden verwacht, die hem tot schrijven brengt; en dit object vindt hij in vs. 15: het is het verlangen van Paulus om hun het evangelie te prediken. Het woordje Uti in vs. 13 beteekent niet: dat, maar: omdat; het geeft de reden aan, dat Paulus nu bij geschrifte gaat prediken: omdat hij zoo dikwijls verhinderd is, tot hen te komen, vreest hij, dat dit ook nu weder het geval zal zijn. De woorden ,,om vrucht te hebben", hangen af van „ik wil u niet onkundig laten". KuOaii; hangt niet van het voorafgaande af, maar is het antecedent van oVtus; vs. 14 wordt door beheerscht. De algemeene beteekenis is dus „aangezien ik reeds dikwijls verhinderd ben, wil ik u er niet onkundig van laten — opdat ik ook vrucht b\j u hebbe —, dat ik bereid ben, u, die te Rome zijt, (in geschrifte) het evangelie te verkondigen, evenals ik verplicht ben, het onder de andere Heidenen, G-rieken en barbaren, wijzen en onverstandigen, te doen". Ik geloof niet, dat velen deze nieuwe verklaring als een verbetering zullen beschouwen. 1° Het woordje ïr< na „ik wil u er niet onkundig van laten" beteekent „dat" en niet „omdat". 2° „Opdat" hangt af van „ik heb mg voorgesteld te komen". 3° De woorden kcu Iv kunnen niet gescheiden worden van het voorafgaande kxi Iv v/üv. 4° Waartoe zou het voorz. iv dienen, als ro<$ Aoitsic ÏSvesvv afhing van „ik ben een schuldenaar"? 5° Paulus zou zich duidelijker hebben uitgedrukt.

Sluiten