is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

feit, dat het heil „om niet" wordt geschonken. God zegt: ik geef; het hart antwoordt: ik neem aan; dat is het geloof. Deze daad is een actieve receptiviteit, die niet geeft maar neemt wat God geeft. „Het geloof is de hand van het hart", heeft een arme Betschuaan treffend gezegd. Bij deze daad is de geheele menschelijke persoonlijkheid werkzaam: het verstand, hetwelk het in de Goddelijke belofte aangebodene heil erkent; de wil, die er naar uitgaat; het hart, dat zich aan de belofte overgeeft en alzoo het beloofde goed grijpt. Men moet niet dadelijk in deze daad des geloofs alles leggen wat er uit voortvloeit, wanneer het geloof in het bezit van zijn object is gekomen, zooals Reuss, Sabatier, Oltramare, die er reeds in zien „de vernietiging van de zonde in ons alsmede de schepping van het Goddelijke leven". Men verwart dan oorzaak en gevolg. Het geloof eigent zich het Goddelijk middel toe, waardoor die zedelijke werkingen zullen worden voortgebracht. — In de plaats van het oude volk Gods, dat in de afstamming van Abraham zijn oorsprong vond, aanschouwt Paulus reeds een nieuw volk, uit alle natiën, geboren [uit het geloof. Wanneer hij nog eens de oude verdeeling der menschheid in Joden en Heidenen memoreert, doet hij het om te verklaren, dat zij afgeschaft en opgelost is in de nieuwe orde van zaken: „eerst den Jood en ook den Griek". In weerwil van alle ontkenningen van Klostermann moet het woord „Griek" hier een meer algemeene beteekenis hebben dan in vs. 14. Daar staat het tegenover „barbaar" en duidt mitsdien het beschaafde deel der heidensche wereld aan; hior, waar het tegenover „Jood" staat, moet het de heidenwereld in het algemeen beteekenen. Inderdaad waren de Grieken slechts een deel van de Heidenen, maar zij vormden toch ook hun élite, hun denkend deel, zoodat zij als de vertegenwoordigers der geheele heidenwereld konden beschouwd worden: vgl. 1 Kor. 1: 22—24, en de vele teksten, waar de menschheid verdeeld wordt in Joden en Grieken. Klostermann vraagt welke verandering van gezichtspunt den apostel aanleiding gaf, de beteekenis van het woord uit te breiden. Het antwoord is niet moeielijk. In