is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als o. a. H. 3: 5, 25, een eigenschap Gods, b.v. Zijn volkomene zedelijke reinheid of Zijn vergeldende gerechtigheid. Want deze eigenschap was reeds duidelijk aan het licht getreden in de wet; ook bewijst de volgende aanhaling: „de rechtvaardige zal uit geloof leven", dat de apostel het oog heeft op een toestand van den mensch, niet op een Goddelijke eigenschap. !)

Waarin die toestand bestaat? Het is die van den mensch, die aan al zijne verplichtingen tegenover God en de menschen heeft voldaan (H. 6:13, 16; Ef. 5:9; Matth. 5:17). Aldus opgevat zou de bijvoeging „van God" moeten beteekenen: door God (als rechter) erkend, of door Hem in de menschelijke ziel verwerkelijkt. Maar geen van beide verklaringen past. De eerste niet, omdat Paulus de „gerechtigheid Gods", welke het evangelie openbaart, wil stellen tegenover de eigen gerechtigheid (iiix inuuarvm) van den mensch of de gerechtigheid uit de werken (v, è% ëpyuv hx.tx.iorvvtf); de tweede niet, omdat de beide bepalingen i% iriareui;, ei? iritrnv niet goed van een inwendige werking kunnen gelden, maar veeleer doen denken aan een uitwendig feit, hetwelk men zich moet toeëigenen door middel van het geloof, nadat het daartoe was geopenbaard. Het begrip „openbaring is niet ident met dat van innerlijke werking. Verder stelt Paulus (vs. 18) tegenover de openbaring van Gods gerechtigheid de openbaring van Zijn toorn, waaruit volgt, dat hij veeleer een zedelijke betrekking tusschen God en mensch in het oog heeft dan een inwendige gave, door God aan den mensch geschonken.

De gerechtigheid Gods beteekent dus hier, gelijk Lipsius zegt, niet een inwendigen zedelijken toestand, maar een nieuwe betrekking, waarin God den mensch tegenover Zichzelven plaatst, een betrekking, die niet het nieuwe leven zelf is, maar die, zooals dezelfde schrijver er bijvoegt, tot het nieuwe leven in verhouding staat als de oorzaak tot het

1) Vgl. W. 8. Wood, Problems ia the New Testament, London, 1890.; W. Schmidt, Die Lehre des Apostels Paulus, 1896, S. 23. Zie ook bij H. 3 s 22