is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vers de gedachten samen, welke hij in het volgende stuk ontwikkelt. De ontleding van dit vers is dus tevens een ontleding van het geheele hoofdstuk.

Vs. 18: „Want Gods toorn wordt van den hemel geopenbaard over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der menschen, die de waarheid in ongerechtigheid tegenhouden;" ')

De overgang van vs. 17 op vs. 18 wordt aangegeven door „want". Er is in het evangelie openbaring van gerechtigheid, omdat er in de wereld openbaring van toorn is (zie Schlatter). — Natuurlijk moet men uit het begrip „toorn", toegepast op God, alles verwijderen, wat aan menschelijken toorn herinnert, den hartstocht, die aan de openbaringen van verontwaardiging het egoïstische karakter van wraak geeft. In God kan de toorn niets anders zijn dan het heilig misnoegen over de zonde en het stellige voornemen, ze te vernietigen. Menigmaal beweert men, dat dit Goddelijke gevoel zich alleen richt tegen de zonde, niet tegen den zondaar. Dit is niet juist. Want wanneer de zondaar weigert met God tegen de zonde in te gaan, en hij als het ware een verbond met het kwaad sluit, wordt hij zelf voorwerp van toorn en ondervindt al de gevolgen, welke God aan de zonde verbonden heeft.

Het gemis van het art. vóór èpyj brengt de qualiteit van het feit meer op den voorgrond: de openbaring, waarvan sprake is, draagt een karakter van toorn. — Deze openbaring komt van den hemel. De hemel is hier niet de sterrenhemel; het woord is de zinnebeeldige uitdrukking voor de onzichtbare woonstede Gods, den zetel van volmaakte orde, waaruit elke openbaring van gerechtigheid, elke heilige reactie van het goede tegen het kwade voortkomt. De zichtbare hemel, de regelmatigheid in de beweging der sterren, hun heldere, reine glans, dit gansche grootsche schouwspel was voor het geweten van den mensch ten allen tijde de zinnelijke

1) Volgens „Verisimilia" rijn vs. 18—24, 26a, 27a van joodschea oorsprong