Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gunstige beteekenis: tegenhouden om te bezitten; vgl. Luk. 8:15; 1 Kor. 11:2. Het begrip „zonile" zou dun liggen in fV xliKttx.: de waarheid bezitten en toch de ongerechtigheid doen. Echter bewijst Paulus in het volgende juist, dat de Heidenen den schat van waarheid, die hun door de natuurlijke openbaring gegeven was, niet bewaard hebben. Het woord x.xt£Xhv wijst dus op de verkeerde richting van hun wil, tengevolge waarvan de Heidenen de kennis, welke zij van God ontvangen hadden, niet op Lun verstand en hun leven lieten inwerken. Zij onderdrukten de werking van deze openbaring. — De ineesten vertalen tv otimcf. met „door ongerechtigheid": zij hebben door de liefde tot en het doen van het kwade den invloed der waarheid in zich verlamd. Maar de afwezigheid van het art. doet ons met Calvijn, Beza, Tholuck de voorkeur geven aan de adverbiale beteekenis: op onrechtvaardige wijze. Men brengt hiertegen in, dat dan de bepaling overbodig zou zijn, omdat het onmogelijk is, de waarheid op rechtvaardige wijze te verstikken (Weiss, Oltramare). Maar zij kan toch wel de uitdrukking zijn van het Goddelijk misnoegen jegens de zedelijke slechtheid, een toeleiding tot de woorden van vs. 20 „opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn". Anders zou men gedwongen zijn, met Weiss, aan «3txix een zóó 'ruime beteekenis te geven, dat het ook xcèfieiot. omvat, hetgeen onnatuurlijk is, daar de beide begrippen uitdrukkelijk van elkander onderscheiden worden.

Op welke Goddelijke openbaringen zinspeelt de apostel met xTToxx^imTSTat ? Is daarbij alleen sprake van het oordeel des gewetens (Ambrosius, Hodge)? Maar Paulus heeft het oog op een zichtbaar, openbaar, en dus uitwendig feit, hetwelk parallel loopt met de openbaring van bet evangelie, vs. 17. Bellarminus, Grotius, Semler e. a. meenen, dat hier sprake is van de oordeels-bedreigingen, welke het evangelie zelf bevat. Maar er is een duidelijke tegenstelling tusschen „van den hemel", vs. 18, en „daarin" (het evangelie), vs. 17; ook ziet de geheele plaats op de tegenstelling tusschen de openbaring der genade in het evangelie en die van den

Sluiten