is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toorn. Volgens de grieksche kerkvaders, Ewald, Ritschl, en, vroeger, Philippi, zou deze openbaring des toorns die van het laatste oordeel zijn. De tegenwoordige tijd van het werkwoord zou nadrukkelijk de zekerheid van het aangekondigde feit aanwijzen. Echter hangen de twee woorden xiroHxXuxTerxt van vs. 17 en vs. 18 logisch zóó nauw samen, dat het onmogelijk is, het eene in den tegenwoordigen en het andere in den toekomenden tijd te nemen. Hofmann, Oltramare en Philippi (3de ed.) meenen, dat de apostel het oog heeft op de vele kwalen, waaronder de zondige menschheid voortdurend zucht; Pelagius nam het woord „hemel" letterlijk op en wilde hier aan de verwoestende onweders en stormen gedacht hebben, maar het volgende steunt deze verklaring niet. Aióti (vs. 19, 21) en iii en 3ix toïito (vs. 24, 26) leeren ons, dat het vervolg de ontwikkeling moet zijn van xToaxX-jmnM t hetwelk met zooveel nadruk aan het hoofd van het gansche stuk staat. Zou dan de gedachte, die als thema aan den aanvang staat, later zijn opgegeven? — Deze laatste opmerking brengt ons tot de eenige natuurlijke verklaring. In vs. 19, 20 handelt de apostel over de openbaring, welke God aan de menschen gegeven heeft door de werken der schepping; het is „de waarheid", waarvan vs. 18 spreekt. In vs. 21—23 (en 25) wordt de wijze beschreven, waarop deze openbaring miskend en misbruikt is; het is het xxtsxsiv van vs. 18. Eindelijk geven vs. 24—31 een beeld van de straf, welke God daarom over de Heidenen heeft doen komen: „daarom heeft God hen overgegeven", vs. 24, 26, 28: de ontwikkeling immers van „Gods toorn wordt van den hemel geopenbaard", vs. 18. Eerst het licht, zonder hetwelk er geen zonde zou zijn; dan het opzettelijk uitdooven van het licht, hetgeen hun schuld uitmaakt; en eindelijk de straf, de duidelijke openbaring van het Goddelijk misnoegen. Is dat niet logisch? Oltramare, Philippi beweren, dat de straf voor de ongerechtigheid niet bestaan kan in de ongerechtigheid zelf. Maar de geheele Schrift leert, dat de grootste straf voor hem, die de waarheid wederstaat, deze is, dat hij aan zijn verkeerden zin wordt