is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overgeleverd (2 Thess. 2:10, 11). Philippi maakt nog het bezwaar, dat de uitdrukking xTroKxKÓTtTeiv altijd een bovennatuurlijke openbaring aanwijst. Echter ziet Paulus in de monsterachtige ontaarding der Heidenen, welke hij gaat beschrijven (vs. 24—27 en vs. 29—32), wel degelijk een ingrijpen van de Goddelijke gerechtigheid in de geschiedenis der menschen (zie ■jrxpoüiiivxi). — Het 18° vers kondigt dus de drie hoofdgedachten van het geheele stuk aan: de waarheid, de onderdrukking van de waarheid, en eindelijk den toorn Gods, die deze zonde met dubbele slagen straft.

De toom Oods, volgens Ritschl.

In zijn werk „Die christliche Lehre von der Rechtfertigung und Versöhnung" (II2, 119 v.) noemt Ritschl het begrip „vergeldende gerechtigheid" een uitvinding van het Farizeïsme en ontkent, dat het in de Schrift gevonden wordt. Hij is daardoor genoodzaakt de schriftuurlijke uitdrukking „tooin Gods" in een andere beteekenis op te vatten en verklaart ze aldus. In het O. T. heeft de toorn Gods slechts één doel, nl. het verbond Gods in stand te houden; de toorn Gods beteekent dus alleen de plotselinge en hevige straffen, die God doet nederkomen op de vijanden van het verbond of op de verbondsleden, die de grondvoorwaarden er van openlijk schonden, — in beide gevallen niet om te straffen, maar om hier op aarde Zijn genadewerk te bewaren, welks bestaan in gevaar werd gebracht. In het N. T. is het begrip in den grond der zaak hetzelfde; slechts in de toepassing is eenig verschil. De uitdrukking „toorn Gods" heeft zuiver-eschatologische beteekenis; zij heeft betrekking op het laatste oordeel, waarbij God de tegenstanders des heils zal afsnijden, niet om hen te straffen, maar om hen te beletten, voortaan de komst van Zijn koninkrijk tegen te houden (1 Thess. 1: 10; H. 5:9). Onze plaats verklaart Ritschl aldus: het vs. 18 uitgesproken begrip van toorn Gods ontwikkelt Paulus eerst H. 2:4, 5. Het geheele stuk vs. 19—2:3 is gewijd aan de zonde der Heidenen, bestaande in het xxt£%siv ty\v dkjóaav