Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De beschrijving der straf (de openbaring van den toorn) begint eerst H. 2:5, welke plaats klaarblijkelijk ziet op het jongste gericht. Naar ik meen is deze opvatting meer vernuftig dan waar. Onze bezwaren zijn de volgende: 1° Ritschl ziet in den toorn Gods niet een inwendig gevoel maar alleen een uitwendig feit, een daad van oordeel. Maar waarom gebruikt Paulus dan de uitdrukking „toorn", en voegt hij hieraan H. 2:8 zelfs het woord 9u/*ót toe, hetwelk de verheffing der verontwaardiging beteekent ? 2° De tegenwoordige tijd „openbaart zich" vormt, zooals wij gezien hebben, een tegenstelling met den tegenwoordigen tijd in vs. 17, eu kan, gelijk deze, niets anders dan een werkelijk tegenwoordigen tijd aanduiden. 3° In de drie malen herhaalde uitdrukking „daarom heeft hij hen overgegeven" (vs. 24, 26, 28) beschrijft Paulus niet de zonde der Heidenen maar hun straf, hetgeen blijkt vooreerst uit het woord „overgeven", hetwelk is een daad van oordeel; vervolgens uit „daarom", waarmede Paulus overgaat van de zonde tot de straf. 4° Ook beginnen H. 2:4, 5 geenszins met „daarom", zooals toch het geval moest zijn, wanneer de apostel hier van de beschrijving der zonde tot die der straf overging. Verder hebben deze verzen niet meer, zooals H. 1:18—31, betrekking op de Heidenen en hun oordeel, maar op de Joden, wier gerustheid ten aanzien van het laatste oordeel de apostel bestrijdt. Ritschl's verklaring van vs. 32, waarbij hij al het geweld, dat hij den tekst heeft aangedaan, zoekt te rechtvaardigen, stellen wij tot de behandeling van dat vers uit.

Met betrekking tot de uitdrukking „toorn", eerst van de Heidenen (vs. 18) en daarna van de Joden (H. 2 : 5) gebruikt, blijven wij dus bij de opvatting, welke wij boven ontwikkeld hebben.

Vs. 19, 20: De Waarheid.

Ys. 19, 20: „aangezien hetgeen van God kenbaar is in hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard; 20 want Zijne onzichtbaarheden

Sluiten