is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geten — ook behoort de mensch met zijne gaven. — Met de woorden tx xipxtx bedoelt de apostel het wezen Gods en Zijne vele eigenschappen, welke van nature onzichtbaar, niet anders dan in hunne stoffelijke werkingen zichtbaar worden. Hij vat ze samen in de twee, die inderdaad alles noemen, waar het de natuurlijke openbaring geldt: macht en Goddelijkheid. De macht Gods is het eerste, wat den mensch treft, wanneer hij de natuur gadeslaat; Krachtens de wet der causaliteit, die hij ieder oogenblik in zijn eigen produceerende werkzaamheid waarneemt, klimt hij op van de onmetelijkheid van het gevolg tot de almacht der oorzaak. Maar deze almacht stelt zich tegelijk aan hem voor als bekleed met zekere zedelijke eigenschappen, die in de werken zelf een stempel achterlaten. In de aanbiddelijke keten van middelen en doeleinden, welke laatste op hun beurt middelen worden voor nieuwe, hoogere en uitnemender doeleinden, ontdekt de mensch de eigenschappen van wijsheid en goedheid, waarmede de hoogste oorzaak bekleed is, en welke Paulus in het woord ieiirtn samenvat. Terwijl êeór/i?, Godheid (Kol. 2:9), het feit van het God-zijn aanduidt, wijst öeioTvi; (Goddelijkheid) de eigenschap aan, waardoor iets tot het Goddelijke wezen behoort. Dit woord omvat dus de zedelijke eigenschappen (in tegenstelling met de eenvoudige macht), welke God moet bezitten om zulk een wereld te scheppen en te ordenen, nl. wijsheid en goedheid: zie Hand. 14:17. Weizsacker: Gottesgüte. — De bepaling xthos (van del) kan alleen met de eerste eigenschap, de macht, in betrekking worden gebracht. Zij zou dan den eeuwigen duur en de absolute onafhankelijkheid van de eerste oorzaak aanwijzen tegenover de afhankelijkheid der tweede oorzaken, die altijd op een voorafgaande oorzaak rusten. Echter noodzaken ons het art. >5 en het pronomen xutoü, die aan beide subst. gemeen zijn en ze nauw verbinden, het epitheton „eeuwig" met beide subst. in verband te brengen. Het dient dus om de eeuwigheid van het Goddelijke wezen te stellen tegenover het voorbijgaande en vergankelijke van het zichtbare. — Deze onzichtbare eigenschappen worden nochtans gezien,