Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zegt de apostel, maar niet alleen met het lichamelijk oog. Door het participium voov^evx komt bij het begrip van zinnelijk waarnemen ook dat van verstandelijk aanschouwen. Zal de innerlijke openbaring werkelijk tot stand komen, dan moet de rede of het oog van het verstand (wD.-) ') werkzaam zijn. Ook het dier ziet, dikwijls beter dan de mensch, maar het heeft geen openbaring Gods, omdat het geestelijke zintuig ontbreekt. Om in eenig werk den kunstenaar te zien, moet men zelf een kunstenaar' zijn. — ToTg 7roiy(tx<Ti is „in Zijne werken", in al die Goddelijke poëmen, waaruit de natuur is samengesteld. — Het voorz. Avé beteekent hier: sedert. Deze openbaring is begonnen met de schepping. 2)

Welk een ruim hart en welk een ruimen geest had de apostel! Hij miskent de theologia naturalis niet, zooals de Joden en sommige christelijke geleerden gedaan hebben. Zelfs heeft Baur (Paulus, II, bl. 260) hier niet zonder reden de basis van Paulus' universalisme gevonden. 3) Dezelfde

1) Vgl. Dr. P. D. Chantepie de la Saussaye (over liet begrip voSf,en zijne plaats in de Paulinische anthropologie, Studiën, 187ft).

2) De beste kommentaar van deze sclioone woorden is mogelijk de volgende passage in de Memorabilia (17, 3). Nadat Socrates Euthydemus herinnerd heeft aan de zorg der goden voor de menschen, voegt hij er aan toe: „Gij zult de waarheid van hetgeen ik zeg erkennen, wanneer gij er niet op wacht dat de goden u in lichamelijke gestalte verschijnen, maar het gezicht hunner werken voor u voldoende is om hen te aanbidden. Denk er aan, dat dit de wijze is, waarop zij zich aan ons vcrtoonen. Want de goden in het algemeen, die ons de goede gaven geven, doen dat niet terwijl zij i„ zichtbare gestalte verschijnen, en Hij, die het heelal bestuurt en onderhoudt, het heelal, waarin al het schoone en goede is, laat zich ongetwijfeld in het doen van Zijne verhevene werken erkennen maar blijft daarbij onzichtbaar. Wie dat wèl verstaat (er volgen voorbeelden van de winden, van den bliksem enz.ï moet do onzichtbare wezens niet verachten, maar, door hunne macht te erkennen, vereert hij de godheid " Zoo sprak een Heiden in de 5e eeuw vd<5r Christus. Hoe duidelijk blijkt de waarheid van Qmepóv hrnv 'cv airc7( in zulke woorden, waarin ook meerdere uitdrukkingen met die van den apostel samenvallen (ópxv en aópocToc, Qxvepóv, $vvce/ztQ, xccTctvoe7v)!

3) In eigenaardige tegenspraak hiermede is de bewering van Michelsen (Theol. Tijdachr., 1887, bl. 173): „Met volle recht is, meen ik, ergens de opmerkiug gemaakt, dat Paulus nooit iets zoo oupauliaisch geselireveu heeft als Bom. 1:19 v."

Sluiten