is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedachte van een algemeene openbaring vinden wij in de woorden van Paulus te Lystre en te Athene (Hand. 14:17; 17:27, 28); vgl. 1 Kor. 1:21 en Rora. 3:29: „Is God ook niet een God der Heidenen?" Ook deze laatste vraag hangt nauw samen met de gedachte aan een oorspronkelijke openbaring voor alle menschen.

De laatste woorden van het vers leeren ons het doel van deze algemeene openbaring „opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn". Maar hoe? God zou Zich aan de Heidenen geopenbaard hebben alleen om het oordeel, waarmede Hij hen wilde treffen, te rechtvaardigen? Deze gedachte scheen zóó stootend, dat men de beteekenis van de zegswijze ek to . . . meende te moeten verzachten en vertaalde: zoodat (Osterwald), of: zij zijn dus niet te verontschuldigen (Oltrainare). Meyer's kommentaren hebben zich — terecht — verzet tegen deze methode van uitlegging, die de beteekenis van sommige voorzetsels en voegwoorden bij Paulus willekeurig verzwakt. Ik hecht aan de voorbeelden van Oltrainare e. a. ten gunste van de beteekenis „zoodat" niet de minste waarde. Weiss zegt naar waarheid: De praep. f, gevolgd door een infin. met het art., wordt nergens, ook niet in den brief aan de Romeinen, in een andere beteekenis gebruikt dan in die van: „opdat". Wanneer Paulus „zoodat" wilde zeggen, had hij de gewone uitdrukking &<tts ilvxi kunnen bezigen. Ook heeft deze gedachte inderdaad niets stootends: opdat zij, na zulk een openbaring, geen verontschuldiging hebben voor hun miskenning van het bestaan en het wezen Gods. Het eerste doel van den Schepper was, Zich aan Zijn schepsel te openbaren. Maar wanneer de mensch, door zijn eigen schuld, dat licht uitbluscht, moet hij God de schuld niet geven van de duisternis, waarin hij zich bevindt.

Ys. 21—23: Het tegenhouden der waarheid. Vs. 21: „aangezien zij, God kennende, Hem niet als God verheerlijkt of gedankt hebben; maar zij