Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rede achterbleef, had althans het hart een taak te vervullen •

tik™? uT ZGlfS 6611 kinJ Diet t0t zijn we'Joener: mini»' r ,w0° " beteekent hier z00veel als „of ten i , ' TJen8® fgt terecht «Hem verheerlijken om Zijne gden; Hem danken voor Zijne weldaden". — Maar het hart

vprl 7 n , e,V6a rinig Vau Zijn taak geweten als het n « Ook kon de mensch niet blijven in den toestand,

waarin hij was. Niet voortgaande op den weg van den actieren godsdienst, moest hij zich op den zijweg der godp®'00. .61? (vs- 18> verliezen. Toen de rede verzuimd had, od tot het hoogste object van haar werkzaamheid te maken Weef er mets over dan in het ledige rond te tasten; de geest; w ijdel geworden hij bevolkte het heelal

me ficties en hersenschimmen, m. a. w., zooals Paulus zegt, met ijdele mythologische scheppingen. Het woord farauiW doelt klaarblijkelijk op ijdele dingen, bij de

Joden de naam der afgoden (vgl. Hand. 14 : 15; Lev. 17:7er. .5; 2 Kon. 17:15). — Het woord wordt

door de schrijvers van het N. T. altijd in een ongunstigen zin gebezigd; het wijst de ongeregelde werkzaamheid van den geest in den dienst van een bedorven hart aan. — De volgende woorden slaan op de verdorvenheid van het hart, oorzaak en gevolg van de afdwaling der rede en daarmede gelijken tred houdende. Het hart, **,3/* (O. T. leb), is in het O. en . V3rbond he* middelpunt van het persoonlijke leven, wat wij het gemoed noemen, de macht in den mensch, die zoowel de werkzaamheid van zijn geest als de richting van zijn wil bepaalt. Beroofd van zijn wezenlijk object, God, omdat het weigerde Hem te danken en Hem als God te zegenen, is het hart vol van zelfzuchtige liefde tot het schepsel en het eigen ik, met al de schandelijke begeerlijkheden, die daaruit voortKomen. Het is een toestand van zedelijke verduistering, die toeneemt met de afdwaling van den geest. Het epitheton mtuvctos wordt dikwijls uitgelegd als anticipeerende uitdruking voor wat het hart op dezen weg worden zal: zoodat het onverstandig zal worden. Maar er was reeds dwaasheid

m de vs. 21 genoemde ondankbaarheid. Het onverstand was Godüt/Joneeb, Romeinen. Q

Sluiten