is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dus van den beginne voorhanden. — In den aor. pass. iaKorMii spreekt zich reeds, evenals in het voorafgaande êftotTxiüfyoxv, het gevoel van een Goddelijke vergelding uit, die echter langs den weg van een gewone natuurwet voltrokken is.

Deze eerste graad van verval realiseerde zich in het binnenste. Daarop volgt een tweede, meer uitwendige.

Vs. 22, 23: „Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden, 23 en hebben de heerlijkheid des on vergankelij ken Gods veranderd in de gelijkenis van het beeld van een vergankelijk mensch, en van vogels, en van viervoetige, en kruipende dieren."

De verijdeling der gedachten is zelfs tot dwaasheid geworden. Wat is het polytheïsme inderdaad anders dan een voortdurende zinsbegoocheling, een collectief delirium, of, zooals A. Nicolas te recht gezegd heeft, een bezetenheid in het groot? En deze verstandelijke verwarring heeft een zekere volmaaktheid bereikt juist bij die volken, die, meer dan de andere, aanspraak maakten op den roem van wijsheid, zooals de Egyptenaren, de Grieken, de Romeinen. Wanneer Paulus zegt „zich uitgevende voor wijzen", wil hij de filosofie der ouden niet declineeren; hij bedoelt, dat al die arbeid der wijzen de meest beschaafde volken niet verhinderd heeft, ook de meest afgodische te zijn.

Vs. 23. In de plaats van het goede, hetwelk men nalaat, komt altijd iets kwaads, dat men doet, en wel in toenemende mate: op het gebied der kennis, niet verheerlijken, zich in ijdelheden verliezen, dwaas worden; op dat van het gemoed, niet danken, zedelijk bedorven worden, en eindelijk de godheid tot het tegenovergestelde verlagen, 't Is het laatste en laagste stadium, de afschuwelijke fetischdienst.

De heerlijkheid Gods is de glans van Zijne geopenbaarde volkomenheden in het hart der zedelijke schepselen. Uit deze openbaring moet een beeld ontstaan, dat voor den