Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze gedachte kau alzoo gemakkelijk vereenigd worden met die in Ef. 4: 19: èecuTovs KupèluKxv. Meyer zegt: „de wet der geschiedenis, krachtens welke de afval van God in de menschheid gevolgd wordt door een evenredige toeneming van de onzedelijkheid, is niet een bloot natuurlijke orde van zaken de macht Gods is bij de uitvoering van deze wet in t spel . Vraagt men, hoe een zoodanige wijze van handelen is te rijmen met de zedelijke volmaaktheid Gods, dan is het antwoord gereed. Wanneer de mensch, tot een zekeren trap van verderf is gekomen, kan hij slechts genezen worden door de uiterste ontwikkeling van zijn verderf; het is het eenige middel, dat nog kan uitwerken wat al de voorafgaande roepstemmen en kastijdingen niet vermochten: de reactie van het berouw. Op een gegeven oogenblik laat de vader den

zoon gaan en geeft hem diens deel van het goed. !) Deze

opvatting wordt bevestigd door het afschuwelijke en tegennatuurlijke karakter der uitspattingen, welke verder beschreven worden.

De twee voorzetsels êv en si? verschillen van elkander als de stroom, die het van den oever losgerukte schip medevoert, en de afgrond, waarin het zal verdwijnen. In het hart wonen de begeerlijkheden; aan haar geeft God den mensch over, en dan begint het verval, dat tot de schandelijkste onreinheden moet leiden. — De infinitivus toü xTi^ot^euQxi zou aldus kunnen worden verklaard: „de onreinheid, die bestaat in het zich onteeren". Aangezien echter het geheele stuk over de „openbaring van Gods toorn" handelt, is het natuurlijker den infinitivus op te vatten als een infinitivus van doel. Het is een oordeel: „Gij hebt Mij onteerd; Ik geef u aan de onreinheid over, opdat gij uzelven onteert". Dat ligt ook in x«t van het begin van het vers. — Bij de klassieken komt alleen in het passivum voor. Dan zou men hier (met Meyer) moeten vertalen: „opdat hunne lichamen onder elkander (het een door het ander) onteerd worden". Maar zoo komt de gedachte van den apostel niet krachtig genoeg

1) Vgl. ook Prot. Bijdr., III. 179.

Sluiten