is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit. De straf bestaat niet slechts in het onteerd worden maar bovenal in het zichzelven onteeren. Men moet dus xTipd&aóxi als medium nemen, in actieven zin: om hunne lichamen te onteeren. Dat het medium niet bij de klassieken

voorkomt, kan toevallig zijnj het is regelmatig gevormd.

De bepaling „aan henzelven" schijnt bij den eersten oogopslag overbodig, maar Paulus wil deze schande voorstellen als een', die voortaan hun persoon zal aankleven: het is een brandmerk van schande, dat zij aan het voorhoofd zullen dragen. De lezingen iv xuTóïf en iv ixuro~iq beteekenen hetzelfde: de eerste „aan hen", van het standpunt van den schrijver, het tweede „aan henzelven" van het standpunt der Heidenen. De beteekenis „onder elkander" (Meyer, Philippi enz.) is mogelijk, maar zij verzwakt de gedachte.

Vs. 25. Deze straf is zóó gestreng, dat Paulus nog eens terugkomt op de zonde, die ze heeft uitgelokt. Het pronomen ofrivcs, quippe qui, qualificeert degenen, over wie het loopt. God heeft met hen gedaan als met lieden, die zoo met Hem gedaan hadden. — Het vverkw. , sterker

dan het eenvoudige van vs. 23, bewijst, dat de

zonde in het oog van den apostel hoe langer zoo vreeselijker wordt, naarmate hij ze opmerkzamer beschouwt. — De waarheid Gods is hier, naar analogie van de Ss'£a: toZ Seoü in vs. 23, de waarheid, door God geopenbaard. Die waarheid is de ware kennis van het Goddelijke wezen, welke alleen aan een zoo verhevene realiteit beantwoordde; vgl. 1 Thess. 1:9, waar de ware God tegenover de afgoden staat. En evenals de abstracte term „waarheid" gebruikt is om den waren God aan te duiden, duidt het woord „leugen" de afgoden aan, het onwaardige masker, waarachter de Heidenen het aangezicht van het volmaakte Wezen verbergen. Nu volgt het toppunt der schande. Nadat zij God door een onwaardig beeld hebben voorgesteld, maken zij dit tot het voorwerp van godsdienstige vereering (ètre(3x<r()yi<Txv). Aan deze uitdrukking, die het heidensche leven in het algemeen omvat, voegt Paulus toe sXxrpcuiTxv, zij hebben gediend, hetgeen bepaald op den cultus betrekking heeft. Weizsacker spreekt van