Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Andacht und Gebet". — Uxpx met den accusativus beteekent: met voorbijgang van, waarbij zij het ware voorwerp der aanbidding met verachting links lieten liggen. — De doxologie, waarmede het vers eindigt *): „die geprezen is tot in eeuwigheid" is een hulde, welke den smaad, dien het heidendom aan God toebracht, eenigszins moet uitwisschenEu\oy>iTo; kan beteekenen: die te prijzen is, of: die geprezen is. De tweede beteekenis is de meest gewone en Paulus bedoelt hier: juist omdat God geprezen moet worden , is Hij geprezen en zal hij geprezen worden, wat ook de Heidenen tegenover Hem mogen doen. De uitdrukking eU tov? «'lüvcti stelt de eeuwige eere Gods tegenover de eer van één dag, welke den afgoden gebracht wordt, of tegenover den voorbijgaanden smaad, die God wordt aangedaan. — 'A/miv, van het hebr. aman, vast zijn, is een uitroep, welke moet dienen om de uitgesproken waarheid te bevestigen, ten spijt van alle tegenspraak, in de tegenwoordige orde van dingen.

Na dezen terugkeer tot de gedachte van vs. 23, ten einde nog eens de grootte van het gepleegde kwaad in het licht te stellen, neemt de apostel de in vs. 24 begonnen beschrijving der straf weder op en brengt die ten einde. Hij deinst voor niet één trek terug, ten einde de wraak Gods over de beleediging Zijner majesteit aan te toonen.

Vs. 26, 27: „Daarom heeft God hen aan onteerende hartstochten overgegeven, want hunne vrouwen hebben het natuurlijk gebruik in het tegennatuurlijk veranderd; 27 en desgelijks 2) zijn ook de mannen, het natuurlijk gebruik der vrouw nalatende, in

1) De Joden hadden de gewoonte, telkens doxologieën in den tekst in te vlechten, in 't bijzonder als van iets öodonteerends sprake was (vgl. Van Leeuwen, t. a. p. bl. 112). Volgens Yan Manen (t. a. p. bl. 52) is de wijze, waarop hier tot verheerlijking van den Schepper gesproken wordt, onverstaanbaar.

2) ADGP lezen o(/.otu$ de in plaats van ofzoiui; re, dat al de andere handschr. hebben.

Sluiten